Nederland wil in Europese kopgroep winstbelasting

Als Duitsland en België toetreden tot een EU-kopgroep van lidstaten die afspraken maken over de vennootschapsbelasting (vpb), dan is Nederland ook bereid toe te treden. Wat Nederland betreft wordt daarbij niet alleen eenzelfde heffingsgrondslag voor de winstbelasting afgesproken, maar worden ook de tarieven geharmoniseerd.

Dit is de reactie van het ministerie van Financiën op een voortgangsrapport dat de Europese Commissie gisteren uitbracht. ‘Brussel’ maakte daarmee duidelijk, ondanks verzet in diverse landen, in 2008 toch te willen komen met een voorstel voor een gemeenschappelijke heffingsgrondslag voor de vpb. Hiermee zou in de EU één definitie van de winst ontstaan waarover bedrijven belasting moeten betalen. Internationaal opererende ondernemingen zouden in de Unie dan maar één vpb-aangifte hoeven te doen, wat de administratieve lasten zou verminderen. Ook zou het makkelijker voor ze worden om het belastingklimaat in de lidstaten te vergelijken.

Groot-Brittannië, Ierland en enkele in 2004 toegetreden EU-landen zijn tegen. Zij vinden iedere Brusselse bemoeienis met een tot nu toe nationale aangelegenheid als belastingheffing ongewenst. Ook vrezen ze dat de plannen een voorbode zijn van een gemeenschappelijk vpb-tarief, waardoor ze weinig mogelijkheden overhouden om met een gunstig belastingklimaat extra bedrijvigheid aan te trekken. Zo wordt een deel van het Ierse economische succes veroorzaakt door het in 2003 ingevoerde vpb-tarief van 12,5 procent. In Nederland is dit tarief sinds 1 januari 25,5 procent, waar het vóór 1988 42 procent bedroeg.

Door verlagingen van de winstbelasting die nagenoeg alle EU-landen doorvoeren, komen volgens Dennis Weber, hoogleraar Europese ondernemingsbelastingen, de uitgaven voor collectieve voorzieningen op den duur onder druk te staan. Volgens hem lossen de plannen van de Commissie dit probleem niet op. „Dit is half werk. Om meer belastingconcurrentie tegen te gaan moet ook het tarief worden geharmoniseerd. Brussel moet minstens een bandbreedte met de lidstaten afspreken. Dat de winstbelasting bijvoorbeeld tussen de 20 en 30 procent moet liggen”, aldus Weber.

Door het verzet in enkele lidstaten houdt de Commissie de optie open om in een kopgroep van ten minste acht EU-landen tot een gemeenschappelijke heffingsgrondslag te komen. De verantwoordelijke eurocommissaris, Laszlo Kovacs, weerspreekt daarbij ook de tarieven gelijk te willen trekken. Voor het ministerie van Financiën ligt dat anders. „Wij kunnen ons niet voorstellen dat daarbij niet ook over harmonisering van tarieven wordt gesproken”, aldus een woordvoerster.