‘Mooi? Dat is het licht op een rol keukenpapier’

Kunstenaar John Lurie was jarenlang een bekende figuur in de New Yorkse kunstscene.

Nu zit hij ziek thuis, tekent en pokert op internet. Hij is gelukkiger, zegt hij.

„De Britse Vogue noemde me een van ’s werelds honderd best geklede mannen! Ze moesten eens weten.” John Lurie staat wijdbeens voor zijn kookeiland vol plastic potten met pillen en wijst met een cynische lach naar zichzelf: haar in de war, verschoten zwarte trui, legergroene broek, pantoffels.

Een gesprek met Lurie bestrijkt een heel palet aan emoties. De New Yorker is manisch als het om zijn werk gaat, praat agressief over de kunstwereld en grossiert in zelfmedelijden.

Lurie’s lot is dan ook niet benijdenswaardig. De kunstenaar heeft de ziekte van Lyme, en zit al vijf jaar zo goed als opgesloten in zijn appartement op zes hoog achter in SoHo. Werken is gecompliceerd, naar buiten gaan is ondraaglijk. Diezelfde Lurie was decennialang prominent deel van de New Yorkse kunstwereld. Hij maakte als saxofonist 22 platen met jazzband The Lounge Lizards en acteerde in films van onder andere Jim Jarmusch (Down by Law en Stranger than Paradise, waarvoor Lurie ook de muziek schreef), Wim Wenders en Martin Scorsese.

„Eind jaren negentig voelde ik me heel slecht. Eerst dacht ik dat het stress was, maar ik werd almaar zieker. Mijn benen raakten gevoelloos, mijn zicht werd slecht, mijn gehoor, ik kon mijn linkerhand niet bewegen. Evenwichtsproblemen.

„Ik kwam in een hersenmist terecht. Er was niets moois aan wat ik schreef, niets elegants. Een half jaar heb ik tv-detectives gekeken, en porno op internet. Toen bracht iemand kunstbenodigdheden voor me mee, en boem! Ik begon te tekenen. Hypnotisch. Achteraf begreep ik er niets van. How the fuck heb ik dit gedaan?”

Lurie’s tirade tegen de kunstwereld richt zich iedereen, behalve Lurie zelf. Grofweg komt het erop neer dat alle anderen hem dwarszitten in het ontplooien van zijn creativiteit. „Weet je, ik heb het goed gehad. Maar wat me stoort is dit. Ik ben de kunstenaar, maar er zijn honderden, duizenden mensen die verdienen op mijn werk. Assistenten, galeriehouders, boekhouders. Ik hoef niet verwend te worden. Maar ik wil dat ze in ieder geval net zo goed zijn in hun baan als ik in de mijne.”

„Uiteindelijk is dat amateurisme de schuld van de kunstenaar zelf. Híj klopt daar aan en vraagt: ‘Wilt u alstublieft mijn werk exposeren?’. Die nederigheid.”

Zo toegewijd als Lurie kan mopperen, zo begeesterd kan hij praten over zijn eigen werk. „Ik wil niet als een zak klinken, maar ik weet dat mijn werk heel goed is. Origineel.” Hij vertelt dat hij – „net als iedereen” – als kind begon te tekenen. „Alleen ik ben er nooit mee opgehouden.”

Lurie leest geen kranten, en hij is opgehouden om tv-nieuws bij te houden. Zijn tijd op internet gaat op aan pokeren. „Ik ben heel goed, hoor. Fuck all this art-shit, ik ga alleen nog pokeren.”

Stel dat u de kracht zou hebben en één concert zou kunnen bezoeken, een galerie, een bouwwerk.

„Als je wilt weten wat me nog interesseert: het licht op deze rol keukenpapier. Deze bloem. Het verkeer beneden. De kont van een mooi meisje. Maar dat hebben ze nu ook op internet.”

Wat is er zo mooi aan het keukenpapier?

„Dat daar, dat is God.” Hij pauzeert. „Moeilijk om uit te leggen zonder als een idioot over te komen. Maar het is helemaal in het moment. Geweldig.”

Ik wil even praten over de titels van uw werk.

Afwijzend: „Waarom?”

Omdat ze relevant lijken.

„Dat weet ik. Ze komen tot me, als ik zo op driekwart van het schilderij ben.”

Hoe werkt dat?

„Ah, wat een domme vraag. Weet ik veel. God vertelt me dat.”

Gevraagd naar een constante in zijn schilderijen begint Lurie over „een plek diep in mijn onderbewustzijn”, „die staat waarin ook de muziek die je maakt het beste is en seks geweldig. Dan schilder ik. Later slingert het wat rond en zegt mijn bewuste geest: ‘Ah, zo heet het dus’. Dan maak ik het af.”

U klinkt tevredener met uw heden dan met het verleden. Bent u er gelukkig mee dat u ziek werd?

„Weet je, deze ziekte is het beste dat me kon overkomen. Het schilderen heeft me gered. Ik heb mijn ziel gevonden, ben er minder arrogant van geworden, meer medelevend. Al die jaren voelde ik me op straat de koning van de kunst en al die... keuterboertjes.” Hij pauzeert. „Mijn ziekte heeft dat allemaal veranderd. Op een goede manier. Als je niet door iets zwaars heen moet, kom je nergens. We worden ziek, we gaan dood. En ik ben nu veel beter voorbereid dan jij.”