‘Foute oorlogsvrouw’ maakte zelf keuzes

Vandaag is een historische analyse verschenen over de ‘foute vrouwen’ uit de oorlog. De schrijfster wil het beeld van „vuile verraders” nuanceren.

Zonneke Matthée

Anton Mussert en Meinoud Rost van Tonningen zijn bekende mannen uit de geschiedenis van de NSB. En wijlen de zwarte weduwe staat symbool voor de ‘foute vrouw’. Maar wie heeft wel eens gehoord van Hilda Bongertman of Louise Couzy? Naar deze actieve en andere vrouwelijke NSB’ers is nauwelijks onderzoek verricht. In deze lacune hoopt historica en geassocieerd NIOD-onderzoeker Zonneke Matthée met haar vandaag verschenen boek Voor volk en vaderland. Vrouwen in de NSB 1931-1948 te voorzien.

Dat het ruim zestig jaar heeft geduurd voordat er een historische analyse over de NSB-‘kameraadskes’ is verschenen komt volgens Matthée omdat de taboesfeer rond de nationaal-socialistische beweging nog niet helemaal is verdwenen. Bovendien was er tot voor kort weinig materiaal over vrouwen in de NSB beschikbaar voor onderzoek.

Dat veranderde in 2000. Het ministerie van Justitie droeg toen persoonsdossiers uit het Centraal Archief voor de Bijzondere Rechtspleging (CABR) over aan het Nationaal Archief. Deze omvangrijke collectie vormde de basis voor Matthées onderzoek. Uit de duizenden mappen met namen selecteerde ze 175 vrouwen, een in sociaal-economisch en cultureel opzicht heterogene groep.

Bijzonder geslaagd zijn de invoelend geschreven minibiografietjes van de secretaresse van Mussert en diverse voorzitsters van de Nationaal-Socialistische Vrouwen Organisatie (NSVO), de vrouwelijke nevenbeweging van de NSB. Verrassend is dat vrouwen geen lid werden omdat hun mannen dat al waren. De meesten kozen bewust voor het lidmaatschap. Ze geloofden in het ideaal van een Nederlandse variant van het nationaal-socialisme zonder automatisch antisemitisme en rassenleer te omarmen.

Bovendien wekte Mussert hun vertrouwen. De kaderleden van de NSVO reisden veel en benadrukten hun zelfstandigheid. Paradoxaal, aldus Matthée, is dat veel leden klassieke rolpatronen ook belangrijk vonden. De NSVO organiseerde lessen in verantwoord koken, kinderopvoeding en huishoudkunde. Overigens was de zwarte weduwe, Florentine Rost van Tonningen-Heubel, in alles het tegendeel van de door Matthée onderzochte groep. Heubel zei in 1939 haar NSB-lidmaatschap op omdat er volgens haar in Nederlands-Indië te veel kleurlingen lid waren. Ze heeft daarna nooit meer iets in de NSB gedaan en schikte zich in een traditionele rol, die van moeder en gastvrouw.

Matthée weigert de NSB-vrouwen te beschouwen als slachtoffers van het fascisme, een gedachte die onder feministen in de jaren zeventig opgang maakte. Voor volk en vaderland toont dat vrouwen zelfstandig keuzes maakten. Daarnaast wil Matthée kinderen van ‘foute moeders’ laten zien wat het concreet betekende om lid te zijn: „Bij de NSB denk je aan gemene dingen. Ik wilde weten wat vrouwen bewoog tot hun lidmaatschap en welke activiteiten zij ontplooiden. Het beeld van vuile verraders nuanceren.” Sommige vrouwen hadden Joodse onderduikers in huis. Er is volgens Matthée nog altijd veel verdriet bij de tweede generatie, omdat onbekend is wat moeder (en vader) in de oorlog heeft gedaan.

Na 1945, hun veroordeling en internering probeerden de naar schatting 30.000 kameraadskes het leven weer op te pakken. De meesten traden nauwelijks in de openbaarheid. Omdat ze op straat werden nagewezen en gestigmatiseerd zijn deze vrouwen aanvankelijk onder elkaar gebleven. Bovenal hebben ze gezwegen.

Matthée heeft altijd belangstelling getoond voor de Tweede Wereldoorlog. Directe aanleiding tot dit onderzoek was de aanbieding van een artikel voor Historica (1999) over schuld en sekse in de historiografie over nationaal-socialisme en holocaust. Binnen de redactie kwam de vraag naar de rol van vrouwen in de NSB aan de orde. Niemand wist het antwoord.

Matthée nam zich voor deze kwestie uit te zoeken. Op de achtergrond speelt een rol dat haar vader tijdens de oorlog negen maanden NSB-lid is geweest. Nu haar onderzoek is afgerond kijkt ze genuanceerder naar haar vader. Ze begrijpt beter waarom hij het na de oorlog zo moeilijk had. „Over het algemeen zijn NSB’ers voor mij steeds meer gewone mensen geworden. Het is geen groep waar maar één etiket op past.”