Eten moet groeien in de stad

Is er een realistisch alternatief voor de huidige, grootschalige voedselproductie, een alternatief dat minder CO2uitstoot veroorzaakt? Over smulbossen en tropische gamba’s uit Rotterdam.

Toen de Stichting WAarde een paar jaar geleden voorstelde om smulbossen aan te leggen, waar wandelaars zouden kunnen genieten van bessen, noten en paddestoelen, werd ze hartelijk uitgelachen. Misschien was de stichting haar tijd vooruit. Want afgaande op de ideeën die de Maastrichtse dependance van het Nederlands Architectuur Instituut (NAi) voor de tentoonstelling The Edible City verzameld heeft, zullen steden in de toekomst smulbossen gaan aanleggen, eettuinen en boerderijwijken.

Voor deze tentoonstelling over de toekomst van voedselproductie is de zolder van het NAi omgetoverd tot een soort plantenkas, waar maquettes, computeranimaties en ontwerptekeningen gepresenteerd worden tussen kisten vol tomatenstekjes. In deze beschermde omgeving kunnen plannen als een zelfvoorzienend aanrecht of een snelwegoverkapping van eetbare planten ongehinderd opbloeien.

Het is natuurlijk de vraag hoe waardevol ze buiten het museum zijn, maar nodig zijn wilde ideeën in elk geval, want de grootschalige industriële wijze van voedsel produceren staat onder druk. Wegens dierenleed en -ziektes door de enorme concentraties vee. Wegens het grote beslag op de brandstofvoorraad voor de productie van kunstmest en voor gekoeld transport. Wegens de uitstoot van CO2 (volgens het onafhankelijk onderzoeksbureau Milieu Centraal komt ruwweg eenderde van de Nederlandse uitstoot voor rekening van voedselvervoer) die weer zorgt voor de groeiende vraag naar biobrandstoffen, waardoor de druk op de beschikbare landbouwgrond en op maïs-, soja- en palmolievoorraad toeneemt. Wegens milieuschade, zoals het leegvissen van de wereldzeeën en het kappen van regenwoud om landbouwgrond te winnen. Wegens de toename van de wereldbevolking (tot 9,3 miljard in 2050) en de oprukkende verstedelijking. En ten slotte vanwege de groei van de welvaart en daarmee de grondstoffen verslindende vleesconsumptie, die weer zorgt voor enorme concentraties vee.

Het is duidelijk dat de agrobusiness, zoals dat heet, voor uitdagingen staat.

Maar is het eetbare aanrecht een antwoord op al deze ontwikkelingen? Daarvoor oogt het wat erg simpel en fragiel. In de Kitchen of Terrestrial Mechanics, de Keuken van de Aardse Mechanica (2006), heeft ontwerper John Arndt natuurlijke processen nagebootst; het water van de borden in een afdruiprek boven het aanrecht valt op de kruiden die eronder groeien. Door verdamping koelen de waterdruppels ook de aardewerken potten op het aanrecht voor de opslag van eten. Het afval in de compostbak eronder wordt door de daar levende wormen omgezet in mest voor de kruiden. „Dit is de enige keuken die u zal missen als u met vakantie gaat”, schrijven de tentoonstellingsmakers lyrisch.

Alleen al daarom lijkt de Terrestial Kitchen geen werkbaar concept – niemand blijft tenslotte thuis voor zijn keuken – maar als metafoor is hij prachtig. Om CO2-uitstoot te reduceren en verspilling – en files – tegen te gaan, is het immers wenselijk om productie en consumptie zo dicht mogelijk bij elkaar te brengen. Voedselketens moeten kringlopen worden door afval volledig te recyclen. En eten moet niet langer naar de stad gebracht worden – het moet erin groeien.

Daarmee lijken de methodes van de toekomst op die van het verleden in een technologisch jasje. Ooit voorzagen steden immers min of meer in hun eigen voedsel; de hele keten van kweek, productie, vervoer en consumptie vond in en om de stad plaats. Pas met de industriële revolutie werden voedselketens langer. Nu is voedsel, zoals al onze producten, geglobaliseerd. Het heeft vaak duizenden kilometers afgelegd voordat het op ons bord belandt.

In de sloppenwijken van sommige derdewereldsteden, waar de bevolking naartoe verhuist vanaf het platteland, gaan ouderwets en geavanceerd naadloos in elkaar over. Boeren in de stad is tegenwoordig een veelgebruikte strategie om arme stadsbewoners van werk en eten te voorzien. De FAO, de Voedsel- en landbouworganisatie van de Verenigde Naties, becijferde dat kleinschalige stadstuinen en boerderijen 700 miljoen mensen te eten geven. Op de tentoonstelling is te zien hoe projecten in Addis Abeba en Nairobi kleine economieën op gang brengen, met toeleveranciers van water en mest, en verkoop van het surplus op lokale markten. Ook in westerse steden worden volkstuinen, in het licht van toenemende voedselvervreemding bij kinderen, sinds kort opnieuw als waardevol gezien. Dit heeft overigens niet kunnen verhinderen dat in de afgelopen tien jaar 800 hectare aan volkstuinen in Nederland is verdwenen.

Klassieke volkstuinen ontbreken op de tentoonstelling. Wel zijn er hippe varianten, zoals ontwerpen voor een eetbare wandelroute in Londen, een boomgaardstraat in Almere en een ecologische wijk met stadsboerderij in Culemborg. En inderdaad, denkt de bezoeker, waarom geen eetbare stadsparken, snackgroente op rivieroevers en bessenstruiken op bedrijfsterreinen, in plaats van die eeuwige bakken-met-een-boompje? Waarom wel stadsstranden, maar geen stadsakkers?

Toch kan dit soort knuffelvoedsel nooit de oplossing zijn als het om het voeden van hele steden gaat. Maar bij grootschalige innovatieve projecten blijkt het evenwel om dezelfde oeroude landbouwprincipes te draaien: vermenging van functies, gesloten kringlopen en zo min mogelijk afstand tussen productie en consumptie.

In de varkensflat, de beroemde verticale boerderij van architectenbureau MVRDV uit 2001 bijvoorbeeld, levert het afval van de viskwekerij bovenin het voedsel voor de varkens, die op de middenverdiepingen scharrelen. Het slachthuis is op de begane grond, en een biogas-installatie sluit de kringloop. Dichterbij realisatie lijken de ‘Agroparken’ die het Wageningse universitair onderzoekscentrum Alterra samen met andere partijen ontwikkelt, in Terneuzen en in het Limburgse Horst, maar ook op verschillende plekken in China. Op de tentoonstelling is het ontwerp te zien voor een agropark dat Nederlandse varkenshouders samen met Alterra in het Amsterdamse Westelijk Havengebied willen bouwen, met glastuinbouw, champignonteelt en minstens honderdduizend slachtvarkens.

Een toonbeeld van innovatie lijkt vooralsnog ook de Happy Shrimp Farm op de Rotterdamse Maasvlakte, waar twee milieutechnische ingenieurs tropische garnalen kweken met behulp van de restwarmte van de elektriciteitscentrale daar. Binnenkort in de horeca: verse gamba’s uit duurzame aquacultuur, waarvoor geen mangrovebos heeft hoeven wijken.

De tentoonstelling gaat nauwelijks in op de vraag hoe al deze plannen voor stedelijke zelfvoorziening zich laten rijmen met zaken als voedselzekerheid, voedselveiligheid en wereldhandel; Nederland is na Brazilië de grootste voedselexporteur ter wereld, de landbouw bedraagt 10 procent van het bbp.

Ook is er in Maastricht geen ruimte voor relativering. Milieuorganisaties stellen bijvoorbeeld dat dierenleed, het mestoverschot en de afhankelijkheid van veevoer uit de tropen niet afnemen door de bouw van varkensflats. Het vroegere gemengd boerenbedrijf was immers grondgebonden, extensief en kleinschalig; agroparken bevatten nagenoeg net zulke hoge concentraties dieren als de huidige bio-industrie.

Maar om praktische bezwaren draait het in Maastricht even niet. Door creatieve oplossingen te tonen, maakt The Edible City de dilemma’s van de huidige en toekomstige voedselproductie inzichtelijk. Zoveel eten gooien we weg, dat je er Wasteware van kunt maken, mooi donkerbruin, uit gft-afval geperst servies. En om de huidige voorraad exportkarbonade te huisvesten, zouden in de Rotterdamse haven wel 44 varkensflats gebouwd moeten worden.

The Edible City, t/m 22 juni in NAi Maastricht. www.naimaastricht.nl