Een trotse interventionist, ondanks Irak

De Britse premier Tony Blair treedt binnenkort af.

Hoogleraar Timothy Garton Ash neemt met hem zijn premierschap door.

Als ik Tony Blair vraag zijn drie grootste successen en mislukkingen van zijn buitenlandpolitiek te noemen, hapt hij niet. „Dat verhaal van successen en mislukkingen laat ik aan jullie over.” Hij wil wel zeggen waar hij trots op is: dat hij een strategische benadering van de Britse buitenlandpolitiek heeft ontwikkeld die berust op de combinatie van harde en zachte macht, en op sterke allianties met zowel Europa als de VS.

Onder zijn bewind heeft Groot-Brittannië een belangrijke rol in harde machtsacties gespeeld, niet alleen bij de verdrijving van de Talibaan of de afzetting van Saddam, maar ook in Kosovo en Sierra Leone. Maar het land weert zich evenzeer op terreinen van ‘zachte macht’, zoals Afrika en de klimaatsverandering; en het blijft een hoofdrol spelen in de grote kwesties, of het nu gaat om Soedan, de wereldhandelsbesprekingen of Iran.

Wat is het bijzondere aan Blairs benadering? Zijn antwoord laat aan duidelijkheid niets te wensen over: „Het is een liberaal interventionisme”. Blairisme, zegt hij, staat voor een vooruitstrevende kijk op de wereld, met als uitgangspunten de realiteit van onderlinge afhankelijkheid in een tijd van mondialisering en optreden volgens bepaalde waarden. „Ik ben een trotse interventionist.”

Hij neemt geen woord terug van zijn toespraak in Chicago in 1999, waarin hij de liberaal-interventionistische ‘leer van de internationale gemeenschap’ uiteenzette. Zelfs als het waar is wat ik opper, namelijk dat de regering-Bush terugkomt op de bevordering van democratisering als pijler van haar buitenlandse politiek, dan gaat dat niet op voor hem: „Of zij dat nu wel of niet doen, ik niet.” Dat geldt ook voor Irak.

Is het geen nachtmerrie voor hem dat hij de rest van zijn leven vragen over Irak zal blijven beantwoorden? Nee, dat lijkt hem volstrekt redelijk, maar „maar als mensen zeggen dat Irak allesbepalend zal zijn, dan is het antwoord: het hangt van de afloop af.”

Het enige grote programmapunt op het gebied van de buitenlandse politiek in het Labour-verkiezingsmanifest van 1997 was dat „Groot-Brittannië de leiding in Europa moest krijgen die Groot-Brittannië en Europa nodig hadden”. En? „Groot-Brittannië is wel degelijk een leider in Europa geweest”, zegt hij ietwat defensief, al is „de Britse houding aan de oppervlakte nog altijd halsstarrig eurosceptisch”.

Dat is voor een groot deel te wijten aan de eurosceptische media. Europa is bij uitstek het terrein „waarop zelfs vrij zinnige onderdelen van de media mij aansporen om dingen te doen die naar ik weet oerstom zijn, en die iedereen op mijn stoel oerstom zou vinden”. Maar Blairs theorie daarbij is dat „het Britse volk verstandig genoeg is om te weten dat het wel een bepaald vooroordeel over Europa kan hebben, maar daarom nog niet verwacht dat de regering dit per se deelt of daarnaar handelt”.

Steekt het hem niet een beetje dat, juist nu Downing Streets droomconstellatie van Europese leiders in de maak lijkt – met een nieuwe Franse president, een beminnelijke Duitse kanselier en een behulpzame voorzitter van de Europese commissie – hij het toneel gaat verlaten? Hij schiet halverwege mijn vraag al in de lach en zegt dan met een wrang lachje: C’est la vie. Ik vat dat als een ‘ja’ op.

En wat is Groot-Brittannië de afgelopen tien jaar wijzer geworden van zijn ‘bijzondere relatie’ met Washington? De relatie zelf, is zijn antwoord, en de invloed die we daardoor op andere kwesties kunnen uitoefenen, zoals de wereldhandelsbesprekingen en het vredesproces in het Midden-Oosten. „Het is tijd dat we een onafhankelijke buitenlandse politiek krijgen” is een makkelijk zinnetje om applaus te oogsten, maar neem eens afstand van de VS en zie dan hoe je invloed terug zal lopen.

Hoewel hij stelt dat de Britse relaties met Europa en de VS hechter zijn dan tien jaar geleden, erkent hij ook dat de Britten nog altijd ver verwijderd zijn van zijn ideaal: dat ze zich bij die dubbele relatie „op hun gemak” voelen. Brits rechts is niet gelukkiger over onze banden met Europa dan in 1997, en links is zelfs nog ongelukkiger dan toen over onze banden met de VS. Sommige onderdelen van de media, voegt hij hier aan toe, zijn nu eurosceptisch én anti-Amerikaans: „Denk daar maar eens over na.”

De grootste verandering in zijn tien jaar Downing Street is misschien hoe het plaatselijke is overgenomen door het mondiale. „De buitenlandse politiek is geen buitenlandse politiek meer.” Het dilemma als nationale leider is dat „je land wilt dat je je op het binnenland richt, terwijl je uitdagingen vaak mondiaal zijn.”

Het is bijvoorbeeld belangrijk dat we in eigen land iets doen aan de klimaatsverandering, maar in werkelijkheid „is het doel een impuls te geven aan je internationale leiderschap.” We hebben dan ook meer mondiaal bestuur nodig: zowel een hervormde VN als allianties om actie te ondernemen. Een gemeenschap van democratieën is een mooi idee, maar in politieke zin „bouw je voort op het Europees-Amerikaanse bondgenootschap.”

Timothy Garton Ash is hoogleraar Europese Studies aan de Universiteit van Oxford

Meer over Tony Blair op number10.gov.uk