Donker nest

Hij zit altijd in de donkerste hoek van het café, schuin onder de televisie. Soms lijkt hij er helemaal niet te zitten en dan zit hij er toch.

Portugezen hokken het liefst in het donker. Tot midden in de winter houden ze hun luiken gesloten, ze openen hun winkels en restaurants bij voorkeur in garages en kelders en ’s zomers vluchten ze onder het vloerkleed.

Ook om een andere reden komt Hilário maar met tegenzin uit zijn duistere hoek te voorschijn. Hij heeft een afzichtelijke vlek op zijn gezicht, een eiland van ruw en ongecoördineerd vlees. Het restant van een wond uit een ver verleden. Gelukkig is het hele interieur van het café nogal donker uitgevallen.

Hij zal tegen de zestig lopen. Als hij de kans krijgt vertelt hij over zijn diensttijd. Soldaat in Angola was hij, in de laatste jaren voor de Anjerrevolutie. Voor wie het maar wil horen schildert hij een wereld van barakken in het oerwoud, van geluiden in de nacht en van wachten op de dood. De zwarte vrijheidsstrijders legden hinderlagen en aan één stuk door verdwenen er vrienden van hem. Door het thuisfront werd zijn compagnie niet gesteund en zijn commandant gaf raadselachtige bevelen.

Het lichaam van een schoolvriend, tegelijk met hem naar Angola vertrokken, was door de zwartjes op een morgen voor de barak neergegooid. Van top tot teen ontveld. Hilário haalt een gehavende portefeuille te voorschijn waarin foto’s zitten. Hij en zijn vriend in erbarmelijke camouflagepakken onder een jacaranda. Mooie jongens.

„Het betekent niets”, zegt hij dan, of: „Zo is het leven.”

Er klinkt Afrika in zijn stem. Zijn verhaal luidt altijd hetzelfde. Ik probeer er niet langer naar te luisteren. Wat dwingend aanwezig blijft zijn de schimmen en geluiden van de Afrikaanse nacht. De dreiging van voorbijflitsende gestalten, de obsessieve keelklanken.

Oogwit, vuurmond.

Hilário bergt zijn portefeuille weg, of het een ritueel betreft. Ik weet dat daarna het verhaal gaat komen van het brandende ijzer tegen zijn gezicht en hoe negers zijn nachtmerries bevolken, terwijl hij toch terugverlangt naar Afrika.

Hij zit in zijn hoek en kijkt af en toe omhoog naar de tv die haast tegen het plafond hangt. Beroemdheden van de dag biechten hun zorgen op en hij glimlacht wat. Auto’s ontploffen, steden worden gebombardeerd en hij kijkt of het hem nauwelijks kan schelen.

Halverwege de jaren zeventig keerde hij terug naar Portugal. Er waren nog drie jongens van zijn barak in leven en hij herinnert zich alleen maar bij flarden hoe ze de haven bereikten. Hij ziet een explosie voor zich en een helikopter. Hij kwam in Vila Pouca terecht, omdat in die jaren het klooster dat nu het Grote Hotel is diende als opvangcentrum voor vluchtelingen uit Angola en Mozambique. Hij had geen ouders en geen familie van belang, dus hij was hier maar blijven hangen. Of hij nu hier woonde of elders, hij zou toch nergens kunnen aarden.

Hij had een loslopend meisje uit het dorp in huis genomen, half als dienstmeisje, half als pleegkind. Er werd gefluisterd dat ze de dochter was van een rijkaard en dat Hilário geld kreeg voor zijn barmhartigheid.

Gerrit Komrij