De Duitsers waren fout, ‘wij’ waren goed

Op 4 mei herdenken we. Maar laten we ook nadenken over wat er fout is gegaan aan de kant van de geallieerden. Bijvoorbeeld of hun bombardementen het doel heiligden, betoogt J.C.H. Blom.

Bombarderen hoort bij oorlog. Men kan een bombardement dan ook zien als een kernachtige afspiegeling van zo’n oorlog: een extreme geweldsuitoefening met alle materiële ravage en verlies aan mensenlevens die daarbij horen. Daarbij zijn alle vragen aan de orde die rond oorlogen en de daarbij gebruikte middelen zijn te stellen. Dat geldt dus ook voor de bombardementen op Leiden van 10 en 11 december 1944, een geallieerde poging de opslagplaatsen van Duitse V-2-raketten bij het Leidse hoofdstation en bij ’t Spoortje aan de Herensingel te vernietigen. De bommen raakten echter voornamelijk woonwijken, met alle gevolgen van dien.

De doden en de enorme schade waren het gevolg van acties van de partij die algemeen als vriendschappelijk gezind ten opzichte van Nederland werd beschouwd, onze bondgenoot dus. En dat roept vragen op die verdergaan dan de precieze reconstructie van de gebeurtenissen. Het zijn morele vragen die niet specifiek het Leidse bombardement betreffen. Waren de risico’s die onze bondgenoten namen, gerechtvaardigd?

Als het om Duitse bombardementen was gegaan, zou over de felle afkeuring geen twijfel hebben bestaan. De Duitse luchtmacht heeft in de Tweede Wereldoorlog vijfmaal doelen in Nederland gebombardeerd. Op 14 mei 1940 Den Helder en Rotterdam; op 17 mei 1940 Middelburg; op 19 en 20 september 1944 Eindhoven en op 2 oktober van dat jaar Nijmegen. De laatste acties beoogden de geallieerde opmars te stuiten of althans te vertragen.

Als gevolg van deze vijf Duitse bombardementen vielen tussen de 1.000 en 1.200 dodelijke slachtoffers. Het aantal burgerslachtoffers als gevolg van de ongeveer 600 geallieerde luchtaanvallen op Nederlands gebied, is een veelvoud daarvan: naar schatting omstreeks de 10.000 doden, naast een veelvoud daarvan aan gewonden – dikwijls levenslang verminkt – en enorme materiële schade.

Voor het feit dat juist de geallieerden verreweg de meeste slachtoffers maakten, is een eenvoudige verklaring. Na de snelle Duitse overwinning in mei 1940 was Nederland voor de Duitse luchtmacht geen vijandelijk gebied meer. Toen de geallieerde legers weer Nederlands grondgebied betraden werd dat anders, maar toen was die luchtmacht al sterk verzwakt en lagen de prioriteiten veelal elders.

Voor de geallieerden lag dat andersom. Nederland behoorde juist tot het door de vijand beheerste gebied, waar strategische doelen in aanmerking kwamen om uit te schakelen.

Soms werd het eigenlijke doelwit, zoals in Leiden, zelfs niet of nauwelijks geraakt en werd dus nagenoeg uitsluitend ongewilde schade aangericht. Vergelijkbare voorbeelden zijn het precisiebombardement op De Kleykamp in Den Haag, waar zich de centrale bevolkingsregistratie bevond, maar dat minder effectief was dan gedacht en omstreeks zestig levens kostte; het bombardement op de Euterpestraat in Amsterdam op 26 november 1944, dat bedoeld was voor het daar gevestigde SD-hoofdkwartier maar aanzienlijk schadelijker was voor de directe omgeving (meer dan vijftig doden); en het grote bombardement van 3 maart 1945 op het Haagse Bezuidenhout met meer dan vijfhonderd doden, net als in het geval van Leiden bedoeld om de lancering van V-2 raketten te verhinderen.

Vijfmaal werd een Nederlandse stad per ongeluk gebombardeerd omdat men meende een Duitse stad onder zich te hebben: op 5 en 6 oktober 1942 Geleen, op 10 oktober 1943 Enschede, en op 22 februari 1944 weer Enschede en ook Arnhem en Nijmegen.

Op het eerste gezicht was het een beetje ingewikkeld de doden door de geallieerde bombardementen in directe zin als slachtoffers van de gehate Duitse nationaal-socialisten te zien. Van wat grotere afstand bezien leverden de Duitse agressie en de verwerpelijke ideologie van het nationaal-socialisme de argumenten om hen toch als oorlogsslachtoffers te zien en kon men zeggen dat zij stierven in de strijd voor de goede zaak. Of dat voor de nabestaanden – en misschien nog wel meer voor de gewonden met blijvende handicap – een troost is geweest, staat nog te bezien. Het verbaast ook niet dat zij in de beeldvorming over oorlogsslachtoffers niet erg prominent aanwezig zijn.

Van hieruit is het een kleine stap naar de vraag naar de morele rechtvaardiging van deze risico’s, al is dat wel in hoge mate een vraag die achteraf klemt. Een veel-gevolgde redenering luidt als volgt: omdat de oorlog een rechtvaardige oorlog tegen een verderfelijke vijand was, waren in die oorlog ook de normale middelen (en bombarderen kon tijdens de Tweede Wereldoorlog gelden als een normaal middel) gerechtvaardigd. Dat daarbij onschuldige slachtoffers vielen was tragisch, maar in het licht van het hogere doel onvermijdelijk. Daarom ook kan men de bombardementen van Duitse kant veroordelen en die van geallieerde kant billijken.

Zodra men twijfelt over het doel van de oorlog – en bij de meeste oorlogen is die twijfel op goede gronden aanwezig – wordt het verhaal natuurlijk anders. De Tweede Wereldoorlog neemt daarbij een bijzondere positie in. Bij maar weinig oorlogen is er een zo brede consensus achteraf over waar het morele gelijk lag.

Toch kan het daarbij niet blijven. Behalve over het doel is altijd discussie mogelijk over de middelen.

Bij de Tweede Wereldoorlog zijn in dat opzicht vooral vragen gesteld over de Amerikaanse beslissing atoombommen te gooien op Nagasaki en Hiroshima. Maakt dat de Amerikanen niet toch tot oorlogsmisdadigers? Veel minder is die discussie over de oorlog in Europa gevoerd. Maar recent is het debat over de eerder genoemde strategie van het murw bombarderen van de Duitse bevolking toch geopend. Hoe gerechtvaardigd is het standbeeld voor Bomber Harris, de grote man van die strategie?

Beschouwingen als deze kenmerken zich vooral door wijsheid achteraf. Dat geldt bij uitstek ook voor herdenkingen. Natuurlijk gaat het in eerste instantie om de slachtoffers en hun nabestaanden. Maar zo’n herdenking drukt ons ook met de neus op de feiten. Op wat er, met de wijsheid achteraf, verkeerd is gegaan – of soms juist wat er uitzonderlijk goed is verlopen. Herdenken herinnert ons ook aan onze plicht over dat verleden na te denken, omdat het verleden onze beste bron is om althans enige wijsheid te verwerven voor het doordenken over de vragen waar wij voor staan.

J.C.H. Blom is emeritus hoogleraar Nederlandse geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam en oud-directeur van het NIOD. Met dank aan Jeroen Kemperman (NIOD). Dit is de bekorte versie van de rede die J.C.H. Blom op 12 december 2004 in Leiden uitsprak bij de herdenking van de bombardementen op die stad.