‘Wij zijn producten van een burgercultuur’

Zondag neemt veilingmeester J.P. Glerum afscheid van zijn carrière met de veiling ‘Eenmaal, andermaal, laatste maal!’ „Ik zou willen dat het kijken naar kunst vrolijker en vanzelfsprekender wordt.”

Houten stellingkasten met duizenden stripalbums vullen de voorkamer van zijn keurige huis in Amsterdam-Zuid. Ook een veilingmeester heeft verzamelneigingen. J.P. Glerum, bekend van de televisie, neemt zondag afscheid van het vak met de veiling Eenmaal, andermaal, laatste maal! Zijn strips zijn daar niet bij. Sinds eind jaren veertig kocht hij als jongetje de nieuwste Kuifje-albums. „Ik zette er nauwgezet mijn naam in. Ze zijn daardoor geheel waardeloos geworden, maar wel ontzettend dierbaar.”

J.P. Glerum (1943) is op 1 januari gestopt als directeur van Glerum Auctioneers, een veilinghuis met elf fulltime medewerkers en een jaaromzet van ongeveer zes miljoen euro. „Een minibedrijfje ten opzichte van Sotheby’s”, zegt Glerum die vrijdag een lintje kreeg (ridder in de orde van Oranje-Nassau). Zijn vader werkte bij het veilinghuis Mak van Waay in Amsterdam. Zelf wilde hij na het Montessori lyceum kunstgeschiedenis doen, maar al tijdens het eerste studiejaar ging hij aan de slag bij Van Waay. „Ik vond de studie niet leuk genoeg, het was allemaal theorie.” Van Waay bood hem een baan aan en Glerum vroeg professor Joshua Bruyn, het hoofd van de faculteit, of hij het mocht combineren met zijn studie. „Die zei: ‘Meneer Glerum, kunst en commercie gaan niet samen’.”

Dat was begin jaren zestig, een drukke tijd voor veilinghuizen. Glerum: „Voor het eerst verhuisde een hele generatie uit hun grote huizen naar bejaardenwoningen en aanleunwoningen. Eens in de zo veel tijd kwamen er honderd kisten die wij dan uitpakten. De lol van eraan zitten, het voelen, het ruiken.”

Glerum somt nog moeiteloos op wat er uit de kisten kwam. „Vaak een paar honderd jaar geschiedenis. Veel porselein als het uit het noorden of Zeeland kwam en voor de rest veel zilver. Een beetje fatsoenlijk huis had ten minste één vitrinekast, een kleine secretaire, een kleine commode en een theetafeltje.” Omdat de huizen niet meer berekend zijn op de inboedels van de grootouders is veel onverkoopbaar geworden. „We willen de kussenkasten en kabinetten uit de 18de en 19de eeuw niet meer omdat ze te groot en te zwaar zijn, al betaal je bij Ikea meer voor dezelfde bergruimte. Prachtige serviezen uit die tijd zijn evenmin te slijten, want ze kunnen niet in de afwasmachine.”

Als in 1974 Mak van Waay wordt overgenomen door Sotheby’s wordt Glerum er directeur. In 1989 begint hij met een paar collega’s een eigen veilinghuis omdat volgens hem Sotheby’s te centralistisch vanuit de VS wordt geleid. „Je moet het hier af en toe anders kunnen doen”, zegt Glerum. „We hebben in Nederland geen culturele invloed van de adel en de kerk. We zijn de producten van een extreme burgercultuur, in de goede zin des woords. Men koopt hier als kooplieden en dat levert een ander interieur op dan in Frankrijk, Engeland of de Duitse staten. En een ander kunstbezit. Het zal wel een jachtverhaal zijn, maar ooit liep koningin Juliana met de Britse koningin door het Rijksmuseum en Elizabeth vroeg: ‘Is this your collection, my dear?’ Maar het was van de stad Amsterdam. In Nederland vind je geen Italiaanse schilderijen van enige betekenis, geen Spanjaarden, geen Franse meubelen. Ze zijn er enige tijd geweest, maar we hebben ze verkocht uit zakelijke overwegingen.”

Het idee voor de afscheidsveiling kwam van hem zelf. Het zijn werken op papier omdat die volgens hem nog ondergewaardeerd en daardoor betaalbaar zijn. Maar het zijn vooral dingen waar hij iets mee heeft, zoals blijkt uit anekdotes in de catalogus. De tekening van Carel de Nerée tot Babberich vond Glerum ooit voor 80 gulden op het Waterlooplein. Hij verkocht hem voor 200 gulden aan een handelaar en van de opbrengst kocht hij een Puch brommer, die een dag later werd gestolen. Op de veiling moet de tekening zondag drie- à vierduizend euro opbrengen.

Hij vindt het moeilijk om te zeggen waar zijn eigen voorkeur naar uitgaat. „Ik heb een ontzettende veilinghouderssmaak, ik vind allerlei dingen leuk. Ik bezit een negentiende-eeuwse kopie van het beeldje Architectura van Giambologna die me zeer dierbaar is. Dat is van de laatste dingen die ik zou veilen. Wat ik werkelijk liefheb, hangt in musea en kan ik al lang niet meer betalen. Zoals de Mondriaan in het Kröller-Müller met elke kleur grijs die je kunt bedenken. Op de veiling hebben we zondag een blauwe roos tegen geel fond van Mondriaan en daar zou ik ook heel prettig mee kunnen leven. Hij moet ergens tussen de 150.000 en 250.000 euro opbrengen, en dat haal ik niet. Het leuke van werken bij een veilinghuis is dat je hem even vast kunt houden.

„Natuurlijk had de professor geen gelijk: kunst en commercie gaan wel samen. Het zijn twee verschillende terreinen van expertise. De man die met zijn eigen geld een schilderij koopt, kijkt anders dan iemand bij een museum die voor de overheid iets aanschaft. Het kan geen kwaad de handelaar zijn verhaal te laten houden. Die kent de markt en weet waar andere stukken zitten en hoe zeldzaam iets is.”

Glerum blijft het veilinghuis – dat nu geleid wordt door de 29-jarige Talita Teves – bijstaan als adviseur. Verder gaat hij met zijn nieuwe bedrijf Kunstaanbod dingen doen waar hij vroeger „geen tijd en rust voor had”. Zo begeleidt hij een aantal mensen bij het samenstellen van hun collectie, is hij bezig met een tv-programma, doet hij taxaties voor de overheid en verzekeringen. Ook gaat hij adviseren over ‘estate-planning’: „Wat doe je met je kunstbezit als je dreigt dood te gaan.”

Wat J.P. Glerum zou willen is dat het kijken naar kunst wat vrolijker en vanzelfsprekender wordt. „Ik erger me aan de sfeer van heiligheid waarmee het museum betreden moet worden. Het gebrek aan huppelgevoel dat je krijgt als je iets leuks ziet. Ik heb in de jaren negentig acht jaar het tv-programma Eenmaal, andermaal gehad. Mijn grote voorbeeld was en is Pierre Jansen, die man kon op de tv weergaloos spannend vertellen over iets waar je geen bal van begreep en dat daardoor ging leven. Dat heb ik geprobeerd. Er is zo ontzettend veel bereikbaar. Als je de kwaliteit zelf niet kunt zien, vraag dan mensen die het wel kunnen.”

Veiling ‘Eenmaal, andermaal, laatste maal!’ bij Glerum Auctioneers Amsterdam. Kijkdagen donderdag 3/5 (10-17u.) t/m zondag 6/5 1(1-15u.) Veiling zondag 16u. Inl.: www.glerum.nl