Spaanse film koestert de medemens en zijn leed

Semana de Cine Español. Festival van de recente Spaanse film. 2 t/m 16/5 Melkweg en De Uitkijk, A’dam; Lantaren/Venster, R’dam. www.semana.melkweg.nl

Het is bijna jammer dat Pedro Almodóvars Volver ook wordt vertoond op de derde editie van de Semana de Cine Español, die een overzicht biedt van de recente Spaanse film. Vooral omdat het festival keer op keer aantoont dat de Spaanse cinema zo veel meer talenten heeft dan alleen de wereldberoemde Spanjaard die in Volver na jaren weer samenwerkte met Penélope Cruz. Zo zijn er dit jaar verschillende films te zien die het zondermeer verdienen zelfstandig in Nederland te worden uitgebracht door een reguliere distributeur. Alleen al daarom kan het festival uiterst geslaagd worden genoemd. En door zich te concentreren op de bovengemiddelde productie van een Europees land, bewijzen de Spaanse filmweken ook dat er een hoogstaand alternatief is voor de hegemonie van Hollywood. Een cinema die doorheeft dat je niet moet gaan concurreren met de Amerikaanse filmindustrie. Er is dan wel de duurste Spaanse film ooit, een echte blockbuster waarin nota bene de Amerikaan Viggo Mortensen de hoofdrol speelt, maar die gaat over een periode uit de Spaanse geschiedenis. Het zich in de zeventiende eeuw afspelende Alatriste is een van de twee films die binnenkort wél in de Nederlandse bioscoop uitgaat, evenals Azuloscurocasinegro.

Voorzichtig zou je kunnen stellen dat er daarnaast twee films zijn die indirect gaan over de verwerking van de bomaanslagen in Madrid in 2004. In beide maakt een groepje stedelingen een moeilijke tijd door, om daar gesterkt weer uit te komen. In Malas temporadas (‘moeilijke tijden’) wordt een aantal personages gevolgd dat met elkaar te maken krijgt. Een van de belangrijkste verhaallijnen gaat over sociaal werkster Ana, die vluchtelingen bijstaat in de papiermolen voor een verblijfsvergunning. Ze gaat er zo in op dat ze vrijwel geen aandacht meer heeft voor haar zoontje. Op een dag besluit deze niet meer naar school te gaan. Hij sluit zich op in z’n kamer en duikt in de virtuele werelden die zijn computer hem voorschotelt. Na veel vijven en zessen kunnen ze de wereld weer aan. In het iets minder geslaagde 51 días de invierno (‘51 winterdagen’) gaan drie mensen door een diep dal, om tot de conclusie te komen dat ze elkaar toch echt nodig hebben.

Uit vrijwel alle Spaanse films in het programma spreekt een interesse in de medemens, hoe weerbarstig zijn of haar psychologie soms ook lijkt. Met veel empathie worden hun twijfels en zoektocht naar een beter bestaan geschetst. Het levert sympathieke films op, zoals La educación de las hadas (‘de opvoeding van feeën’). Hierin wordt de huwelijkscrisis van een ornithologe en speelgoedbedenker onder de loep genomen. Waarom wantrouwt zij haar geluk? Waarom drijft ze haar man bijna in de armen van een ander?

In Obaba bezoekt een filmstudente een dorpje in de Pyreneeën om een film te maken over de bewoners en hun geschiedenis. Ze wordt aangetrokken door de charme van de dorpelingen, een verrijking voor een door anonimiteit afgestompte stedeling. De beste film van het festival is openingsfilm Ficció waarin ook al iemand naar de natuur trekt. Hier is het een door de midlifecrisis geplaagde regisseur, die in alle rust wil werken aan zijn scenario. Hij ontmoet er een violiste, met wie hij veel tijd spendeert. De film ondermijnt plagerig alle hoop op een mooie romance, want zo gaat dat toch in fictie (‘ficció’)? Regisseur Cesc Gay filmt alles in prachtige kaders; de natuur werkt niet alleen in op de personages, maar ook op de kijker. En de film zit vol droge filmische humor. Onderweg stapt de regisseur uit voor een plas. In het volgende shot staat hij plots temidden van een kudde schapen en kijkt meewarig om zich heen. Daarna zit hij weer in zijn auto, de blaas nog vol.