Pang! ‘Eten, vanavond’

De Inuït in het Canadese poolgebied Nunavut doden per jaar 8.000 zeehonden.

Correspondent Frank Kuin ging op jacht met Joshua Kango.

Om half acht staat Joshua Kango, een zestiger van de Inuïtbevolking in noordelijk Canada, klaar voor de zeehondenjacht. Hij verschijnt per sneeuwmobiel, een ronkend motorvoertuig op ski’s, bij het vertrekpunt in Iqaluit, het hoofdstadje van het semi-autonome Canadese gebied Nunavut. „Ullaakkut”, zegt hij – goedemorgen in het Inuktitut, de taal van de Inuït in het oostelijk Canadese poolgebied. Hij spreekt nauwelijks Engels.

Kango, een stevige man met een verweerd gezicht, is gehuld in een dik sneeuwpak met een bontkraag. Een dubbele muts heeft hij op, en een skibril die zijn halve bovengezicht bedekt, tegen de straling van het grote, ijzige wit dat we tegemoet gaan. Ook heeft hij hoge winterlaarzen aan, en dikke handschoenen van beverbont. Met ongeveer min 15 graden Celsius is het relatief mild, maar bescherming is nodig tegen de onverbiddelijke poolwind op de onbeschutte route naar het jachtgebied.

Achter op zijn sneeuwmobiel heeft Kango een tas gebonden met proviand en een thermoskan met heet water. Er achteraan sleept hij een hondenslee van een meter of drie lang waarop een roeibootje is vastgebonden. Het is uitgerust met twee roeispanen en een lange lat met een haak aan het einde om een prooi te kunnen grijpen. Schuin over zijn rug heeft Kango een jachtgeweer. De loop steekt boven zijn linkerschouder uit.

Gemiddeld één keer per week trekt Kango er op deze manier op uit om op zeehonden te jagen, vertelt hij voor vertrek via een vertaler. „Ik jaag voor voedsel voor mijn familie, en voor andere mensen die geen jagers in de familie hebben, en voor ouderen”, zegt hij. Die deelfunctie van de jacht is van groot belang in de traditionele cultuur van de Inuït, tot enkele tientallen jaren geleden een nomadisch volk dat overleefde in een van de meest onherbergzame streken op aarde. Voor elkaar bijspringen hoort daarbij.

Ook de huiden laat hij niet ongebruikt. Kango geeft de huiden van de zeehonden die hij vangt – rond de vijftig in een goed jaar – meestal aan zijn vrouw, Natsiq. Zij maakt er kledingstukken van, zoals broeken en mutsen, voor eigen gebruik of voor de lokale markt. Jagers kunnen de huiden ook verkopen aan vertegenwoordigers van de regering, die ze op de internationale markt brengen – een extra bron van inkomsten in een gebied waar weinig werkgelegenheid is en de kosten van levensmiddelen bijzonder hoog liggen.

Kango leerde jagen van zijn vader, toen zijn gezin nog per hondenslee rondtrok. In het moderne Inuïtbestaan heeft hij het gemak van een sneeuwmobiel. Bij de Baffin Gas Bar in Iqaluit gooien we er twee vol voor 120 Canadese dollar (80 euro) – een jachtexpeditie is niet goedkoop. Dan gaan we ronkend en hobbelend vanaf het vasteland het ijs van Frobisher Bay op. Op gladder ijs versnelt Kango tot een kilometer of veertig per uur. Hij heeft al snel een flinke voorsprong en kijkt niet om.

Vanaf de bevroren baai strekt zich een eindeloos en verlaten toendralandschap uit in allerlei tinten wit, grijs en blauw. Het poolijs wordt wel de ‘snelweg van de Inuït’ genoemd, en het is duidelijk waarom: we volgen een brede band van sneeuwmobielsporen. Af en toe passeren we een grote scheur, of drassige plekken. Wegens klimaatverandering is het ijs tegenwoordig minder betrouwbaar, zeggen de Inuït. Verschillende jagers zijn al door het ijs gezakt met hun sneeuwmobielen.

Na meer dan een uur komen we bij een groot gat met open water. Het is niet bevroren wegens stroming. Kango stopt, zet zijn motor af en wijst naar de grond. „Spoor van ijsbeer”, zegt hij. Wanneer was de ijsbeer hier? „Vannacht”, schat hij in. We gaan door, andere sneeuwmobielsporen zijn er niet meer. Na enige tijd komen we bij de grens met open water. Het ijs is hier blauwer, minder bedekt met sneeuw. Kango stopt en pakt zijn verrekijker. Hij tuurt verschillende kanten uit. Dan gebaart hij dat hij een zeehond in het vizier heeft. In de verte, een donkere stip op het ijs.

Na een etenspauze gaat de tocht door, met een wijde bocht in de richting van de prooi. Met nog zo’n vijfhonderd meter te gaan gebaart Kango dat hij alleen verder wil. Twee sneeuwmobielen maken te veel lawaai. Hij rijdt langzaam door en stopt in de verte. Zijn motor gaat af. Hij pakt zijn geweer. Hij richt. Het is doodstil, op het doffe geluid van het ijs na. Dat af en toe klinkt als een grote, vage hartslag.

Pang!

Kango kijkt om en wuift. Op naar de prooi. Bij een luchtgat in het ijs van een halve meter in diameter ligt de zeehond. Een kleine, donkere ring seal die eruit was geklommen. Bij zijn kop lekt bloed op het ijs. Een kogelgat zit net achter zijn schedel. Hij beweegt nog een beetje. Kango staat erbij, klaar met zijn haak. Het ijs rondom het gat is onveilig, zegt hij, terwijl hij erin prikt. Hij haakt de zeehond aan de lat en sleept hem naar de boot. Een spoor van bloed blijft achter. Het dier is dood.

„Eten, vanavond”, lacht Kango. Voor vertrek legde hij uit dat vele Inuït meer traditioneel voedsel willen eten, in plaats van de peperdure producten uit het zuiden die te koop zijn in de supermarkt, zoals kip, granen, koekjes en andere zoetigheid. „Toen onze mensen alleen voedsel van het land aten, waren ze veel gezonder”, zegt hij. „We hadden geen suikerziekte of andere kwalen. Wegens het nieuwe voedsel zijn we vaker ziek.”

Op de terugweg stopt Kango bij enkele meren in het ijs. Bij een van de meren kiepert hij de zeehond uit het roeibootje. Hij legt hem op zijn rug en neemt een mes ter hand. Hij snijdt het dier door de buik open. Een witte vetlaag wordt zichtbaar (het ‘blubber’). Met het mes maakt Kango de huid over beide zijden los. Zodra de vacht een handbreed los is, grijpt hij hem vast en schudt hij het karkas er verder uit. De huid wast hij in het water. Hij snijdt het blubber weg en legt het in lappen op de sneeuw.

Het gevilde lijk gaat verder aan stukken. Ingewanden komen tevoorschijn, badend in donkerrood bloed. Organen legt Kango apart; van de darmen maakt hij twee vlechten. Tussen de ribbenkassen zit rood vlees. Kango snijdt ze aan stukken, leunt tegen zijn bootje en bijt er een hap vanaf. Hij eet het rauw.

„De zeehondenjacht is van groot belang voor ons”, legt hij uit. „Het is onze levensader, en het helpt ons lichaam.” De rest verdwijnt in een plastic zak om mee naar huis te nemen. Kango ruimt op, alleen een rode plek blijft achter in de sneeuw, waar hij zijn prooi heeft verwerkt. In de verte zit een raaf klaar om de restjes te komen opruimen. De sneeuwmobiel slaat aan; de reis gaat door.

Bekijk een deel van de beroemde documentaire over de Inuït, ‘Nanook of the North’ (1922) van Robert Flaherty, op www.youtube.com/watch?v=cLERFRQl5EY