Oorlogsgruwelen worden vergeten op nieuwe feestdag

Zondag was het Showa-dag, de eerste feestdag van de zogeheten Gouden Week. Als je van de baas twee vakantiedagen mag opnemen heb je deze week helemaal vrij, een grote luxe voor de Japanse werknemer. De Showa-dag is nieuw. Werden andere feestdagen ingevoerd om de hardwerkende bevolking meer te laten rusten of geld uit te laten geven aan binnenlandse reizen, deze keer moeten de Japanners terug naar het nabije verleden.

Zonder al te veel ruchtbaarheid zijn de feestdagen dit jaar door elkaar gehusseld. De Dag van het Groen is verschoven van 29 april naar 4 mei. „Dat slaat toch alles”, zegt taxichauffeur Ryuichi Sawada. „Straks moeten we het begin van de lente in de herfst vieren.” Het is een noodgreep, wegens de Showa-dag. Showa is de postume naam van de vorige keizer die wij kennen als Hirohito, maar staat ook voor zijn regeringsperiode (1926-1989). Tijdens zijn leven was 29 april, zijn verjaardag, al een vrije dag.

Na zijn overlijden gingen er stemmen op om deze dag tot Showa-dag te maken. De oppositie lag echter dwars gezien het zwarte oorlogsverleden dat zowel aan de keizer als zijn regeringsperiode kleeft. Als compromis koos men voor de Dag van het Groen, een indirecte verwijzing naar Hirohito’s biologische onderzoek.

Opinieleiders en politici uit conservatieve hoek vonden dit te weinig. Na vele vergeefse pogingen was hun lobby vorig jaar eindelijk succesvol en kregen zij de Showa-dag door het parlement. Volgens de vernieuwde nationale feestdagenwet is het vanaf dit jaar de bedoeling dat men „terugblikt op de Showa-periode – die na een tumultueus begin wederopbouw bracht – en nadenkt over de toekomst van ons land”.

Hoe dit ingevuld moet worden blijft vooralsnog onduidelijk. „Wij hebben geen instructies gekregen en besteden er geen aandacht aan”, meldt de plaatselijke lagere school. Op het televisieoverzicht van deze dag valt op geen van de vijftien zenders het woord Showa te ontdekken. (De staatstelevisie zendt wel een documentaire uit over de totstandkoming in 1946 van de huidige grondwet, waar premier Shinzo Abe onder het motto ‘weg met het naoorlogse systeem’ nu juist zo graag vanaf wil.)

Dan maar naar het Showa Memorial Museum in Tokio, om te zien hoe we ons deze periode dienen te herinneren. De slanke moderne pilaar van zes verdiepingen is een nationaal museum, maar het beheer wordt uitbesteed aan de Vereniging van Nabestaanden van Oorlogsslachtoffers. Beneden kan men gratis naar oude journaalfragmenten kijken. Op de twee bovenste etages bij de permanente tentoonstelling is het rustig. Enkele ouderen met jonge kinderen in hun kielzog snellen langs de vitrines met gebruiksvoorwerpen.

De nabestaanden hebben ervoor gekozen om zich geheel te richten op het moeilijke dagelijkse leven tijdens en na de oorlog. De twee kernbegrippen hierbij zijn ‘lijden’ en ‘nostalgie’. Van rantsoenering, bombardementen, evacuatie naar het platteland en de zwarte markt naar de eerste televisie, ijskast en wasmachine. Veel zaken blijven echter onzichtbaar. De dood is er een, vooral die van de niet-Japanse oorlogsslachtoffers.

Ook de oorzaak van de oorlog blijft onbesproken. „Mam, waarom was het oorlog?”, dreint een klein jongetje. „Jij hebt toch ook af en toe ruzie met je vriendje Tomoki”, is de kordate reactie van moeder. Voor de heroïsche interpretatie dat Japan Azië bevrijdde van het blanke koloniale juk kan men terecht aan de overkant, bij het museum van de omstreden Yasukuni-tempel. Zo ver gaat het Showa Museum niet, maar het is wel opvallend in de tentoonstelling dat Japan nooit aanvalt en oorlogen domweg ‘beginnen’. Het startpunt van de tentoonstelling in 1935 is ook bevreemdend, tenzij men het Japanse koloniale verleden en het agressieve keerpunt van 1931 – het Mantsjoerije-incident – onder het kleed wil vegen.

Curator Hisashi Shinjo heeft het moeilijk met de vraag waarom hier de oorlog ‘eindigt’ en niet ‘wordt verloren’ en het begin en einde van de bezetting door de geallieerden in het jaaroverzicht ontbreken. „Het criterium is het dagelijkse leven”, weet hij na samenspraak met zijn baas te vertellen. Heeft de aanwezigheid van een buitenlands leger daar geen grote invloed op? Daar weigert hij zijn baas nogmaals voor lastig te vallen.

Het overzicht op de website van het Netwerk voor Invoering van de Showa-dag, dat de nieuwe feestdag afgedwongen heeft, vertoont dezelfde gebreken. Veel van de adviseurs van deze stichting hebben er ook aan bijgedragen om de tijdens de Tweede Wereldoorlog tot prostitutie gedwongen ‘troostmeisjes’ uit de Japanse schoolboeken te krijgen. Hun nadruk ligt op hetzelfde ‘mooie Japan’ dat premier Abe propageert en „de welwillende zorg van keizer Hirohito voor zijn volk”. In hoeverre de regering de dag gaat gebruiken om deze boodschap te verspreiden blijft onduidelijk.