Met subsidie op zoek naar Bijlmerkunst

Het Amsterdamse Fonds voor de Kunst wil dat meer subsidie de buitenwijk bereikt. ‘Cultuur-verkenners’ zoeken actief naar geschikte projecten. „Iedereen wil artiest zijn, maar ze vergeten dat er meer bij komt kijken.”

Een zonovergoten lentemorgen op een terras aan het Bijlmerplein. Cultuurverkenner Angelo Bromet heeft een afspraak met Joey Flu a.k.a. dj Switch. Flu (27), baggy broek, baseballpetje, zilveren ketting, stond in het voorprogramma van muzikanten als 50 cent, Postmen en Rahzel. Maar al geruime tijd geeft hij ook dj-workshops voor kinderen. Nu wil hij een talentenjacht organiseren en samen met Kinderen voor Kinderen iets doen met de groep-8-leerlingen van alle Amsterdamse basisscholen. „Je moet zelf een stichting worden”, adviseert Bromet. „Dan hoef je niet telkens een stichting te zoeken die voor jou de projectsubsidie aanvraagt en vervolgens met de eer gaat strijken.” Flu zal erover nadenken, hoewel hij niet echt zin heeft in de ‘politiek’ die met subsidieaanvragen gemoeid gaat.

„Joey is een idool in Zuidoost”, zegt Bromet even later. „Het zou mooi zijn als hij een stichting begint en zo een hele groep jongeren inspireert om constructiever met hun talent om te gaan. Dat mist vaak hier. Iedereen wil artiest zijn, maar ze vergeten dat er meer bij komt kijken dan op een podium staan met een microfoon. Je moet ook ondernemer zijn.”

Bromet (29) is door het Amsterdamse Fonds voor de Kunst aangesteld om cultuurmakers uit zijn buurt te informeren en te begeleiden bij het aanvragen van subsidies. „Veel mensen hier weten niet eens dat het fonds bestaat.” Het fonds vindt het zonde dat er zo weinig aanvragen uit buitenwijken komen. Daarom is dit jaar 45.000 euro uitgetrokken om als proef tot 1 januari zes ‘cultuurverkenners’ de buitenwijken in te sturen en mensen te informeren over de mogelijkheden die het fonds biedt. Deze moderne variant van volksverheffing is in 2003 ook geprobeerd en toen hopeloos mislukt. Met een bedrag van 550.000 euro hield een medewerkster Idols-achtige inloopspreekuren in buurthuizen. Het leverde weinig op. De dubbelzinnige naam ‘Laat me je ding zien’ was ook wel erg onhandig gekozen. Het project kreeg geen vervolg.

Het fonds lijkt te hebben geleerd van die misstap. Bromet is een jongen uit de buurt, kent de mensen in Zuidoost. „Een blanke cultuurambtenaar uit het centrum kan mijn werk niet doen. De mensen hier moeten je kennen, wil je hier iets gedaan krijgen. Dat is ontzettend belangrijk. Je moet elke dag je gezicht laten zien.” Bromet, wijde, laaghangende broek, oversized T-shirt en een glimmend gouden plaatje op een hoektand, komt hier zijn contacten tegen, schudt uitgebreid handen, en let op de flyers en posters om te kijken „wat er in de buurt gebeurt”.

Op de scooter gaat Bromet elke vrijdag op zoek naar cultuur tussen de Bijlmerflats. Vandaag praat hij met medewerkers van een buurthuis in Holendrecht over de vier informatieavonden die hij gaat organiseren. Daarna rijdt hij naar het Kratertheater, een begrip in Zuidoost. Hier biedt ‘Fatu’ maandelijks een podium aan „de dopeste comedians van NL in de Bijlmer”. Zondag was Jan Jaap van der Wal er te zien. Het is ook de thuishaven van het succesvolle Black Magic Woman festival, met toneelstukken, dans, beeldende kunst, concerten en literatuuravonden. Helaas, de medewerker die hij wilde spreken ligt vandaag ziek op bed.

„Theaters en buurthuizen weten vaak de weg naar het fonds wel te vinden”, zegt Bromet, „maar ik probeer hun achterban te bereiken. De mensen die projecten willen beginnen, maar niet weten hoe.” Aanvragers uit de Bijlmer worden volgens Bromet niet voorgetrokken. Van de 7,1 miljoen euro die het fonds jaarlijks van de gemeente krijgt is geen deel gereserveerd voor buitenwijken. „Ze moeten net als iedereen een subsidieaanvraag doen en nee, ik ben hier echt niet om geld uit te delen.”