Inburgeren met boeken en ‘wijksafari’

Sinds dit jaar is de markt voor inburgeringscursussen vrij voor alle aanbieders.

De voorstanders verwachten voor iedereen een cursus-op-maat, de critici vrezen juist een verlies aan kwaliteit.

Marokkaanse en Turkse vrouwen bezoeken een tentoonstelling in het Wereldmuseum in Rotterdam. De excursie is onderdeel van de inburgeringscursus die zij volgen. Foto Vincent Mentzel Marokkaanse en Turkse vrouwen gaan onder leiding van de Stichting Ooverbruggen,een inburgeringscursus doen in het Wereldmuseum te Rotterdam. foto VINCENT MENTZEL/NRCH==F/C==Rotterdam, 18 april 2007 minderheden Mentzel, Vincent

Tien Marokkaanse en twee Turkse vrouwen kijken ingespannen naar het bord vol informatie, onderdeel van de tentoonstelling ‘Rotterdammers’. Ze zijn in het Wereldmuseum in Rotterdam. Veel Rotterdammers, zo lezen ze, komen oorspronkelijk uit andere landen. Net als zij. Welke tien nationaliteiten komen het meeste voor in Rotterdam, is de vraag die ze moeten beantwoorden. Ze overleggen ijverig met elkaar. Dan schrijven ze in hun boekje dat ze meedragen op een stuk hard plastic: Marokkaans, Turks, Antilliaans... Eh, Chinees? Ze kijken vragend naar de docente.

De vrouwen volgen een cursus inburgering. Ja, ze vinden het uitstapje naar het museum leuk. Maar het bezoek aan de kaasmakerij was nóg leuker. De cursus wordt gegeven door het bedrijf Ooverbruggen, onderdeel van reïntegratiebedrijf FourstaR. Het zal de vrouwen weinig kunnen schelen dat een bedrijf hun cursus organiseert, maar het ís een revolutie. Tot voor kort gaven de Regionale Opleiding Centra (ROC’s) de cursussen. Sinds 1 januari dit jaar ligt de inburgeringsmarkt open voor andere aanbieders.

Gemeenten hebben een belangrijke rol. Zij schrijven aanbestedingen voor de inburgeringscursussen uit en kiezen vervolgens de aanbieders. Matthijs Goedvolk van Significant staat gemeenten bij in het uitvoeren van de aanbestedingen. Hij heeft goed zicht op de nieuwe aanbieders op de markt. Het gaat vaak om re-integratiebedrijven (bedrijven die werklozen helpen bij het vinden van een baan), maar ook grote taalinstituten doen mee met de aanbesteding, zegt Goedvolk. „Wij zien dat kleinere bedrijfjes, met twee of drie medewerkers, wel geïnteresseerd zijn maar meestal niet kunnen voldoen aan de strenge selectie-eisen van gemeenten.”

Bij grote bedrijven, die gemeenten een goed aanbod doen, kan het snel gaan. Ooverbruggen geeft inmiddels niet alleen in Rotterdam, Amsterdam, Den Haag, Heerlen en Almelo inburgeringscursussen, maar ook nog in tal van kleinere gemeenten. Waarom heeft een bedrijf als Ooverbruggen al zoveel gemeenten als klant? Wij kijken naar de mens achter de inburgeraar, vindt Rogier Derks, directeur van FourstaR. „De een komt als bruid uit de bergen, de ander heeft duizenden kilometers onder een trein gehangen en is beschoten. Die werden tot nu toe hetzelfde klasje gefrot. Maar een Afghaanse arts heeft een heel andere cursus nodig dan een moeder met zes kinderen.”

En een inburgeraar heeft meer nodig dan alleen de taal, een handvol Nederlandse gebruiken en gewoonten en een boekje geschiedenis, zoals volgens hem de traditionele inburgeringscursussen eruit zien. Derks: „Wij kijken naar de héle situatie.” Want als een inburgeraar schulden heeft of geen oppas kan vinden voor de kinderen, dan haken ze snel af. „Er wordt in de lessen over schuldsanering gesproken en doorverwezen. Kinderopvang wordt geregeld. Als een cursist niet komt en zegt dat hij ziek is, dan gaat er een arbo-arts naar toe.” Die hebben ze toch in het bedrijf. „Want hij kan gewoon een dagje hoofdpijn hebben”, zegt Derks, „maar misschien is er wel meer aan de hand. Psychische problemen bijvoorbeeld.” Voor de cursisten is er na elke les een arts en een psycholoog beschikbaar. En dat alles voor een redelijke prijs.

Bestaande organisaties hebben grote moeite hebben met de marktwerking. „Wij helpen als vrijwilligersorganisatie vluchtelingen en migranten al dertig jaar met inburgeren”, zegt Renée Lucas, directeur Vluchtelingenwerk Den Haag. De maatjesprojecten van Vluchtelingenwerk, waarbij een vrijwilliger een nieuwkomer helpt om zijn weg in de Nederlandse samenleving te vinden, zijn beroemd. „Dat werkt heel goed. We kregen er altijd subsidie voor, nu moeten we opeens meedoen met de aanbestedingen. Maar we zijn geen salesorganisatie.”

Wij kunnen niet met de nieuwe bedrijven concurreren, zegt Rinze Jellema, directeur Inburgering van het Albeda College in Rotterdam. Het ROC is een brede opleider met jarenlange expertise, zegt hij. „We hebben veel vervolgopleidingen in huis waardoor een inburgeraar meteen kan doorstromen als hij de taal voldoende beheerst.”

Maar die brede opleider heeft de docenten wel vast in dienst. Zij kosten veel meer dan de flexwerkers die particuliere bedrijfjes per uur inhuren voor hun cursussen. „We kunnen misschien nog wat luxe wegsnijden”, zegt Jellema, „maar een concurrentieslag op prijs gaan we verliezen. Het gevolg is dat we docenten moeten ontslaan die jarenlang ervaring hebben het Nederlands leren aan inburgeraars.”

Uiteindelijk is de gemeente de verliezer, denkt Jellema. Of liever, de inburgeraar. Want het gevaar van prijsvechten is groot. Voor gemeenten is de verleiding groot om niet voor kwaliteit te kiezen, maar voor de laagste prijs. Jellema: „En dan krijg je als nieuwe Nederlander een soort examentraining voor het inburgeringsexamen. Wellicht slaag je, maar je hebt dan alleen een trucje geleerd. Het heeft niets te maken met participeren in de samenleving.”

Het is een risico, zegt ook Matthijs Goedvolk. „Als er gemeenten zijn die alleen op prijs selecteren, zullen er bedrijven zijn die hun product zo goedkoop mogelijk gaan aanbieden. Bij de aanbestedingen die wij begeleiden, laten we ook de kwaliteit meewegen.”

Ook de Haagse wethouder burgerschap Rabin Baldewsingh ziet het gevaar van ‘taalbeunhazen’ die de kwaliteit minder belangrijk vinden. „Inburgering moet je niet overlaten aan de vrije markt”, vindt hij. De wethouder was zeer tevreden over de expertise van het ROC in zijn stad. Hij vindt het „doodzonde” om die infrastructuur nu kapot te maken. Er bestaat wel een keurmerk voor inburgeringscursussen, maar gemeenten zijn niet verplicht om voor een gecertificeerd bedrijf te kiezen. De gemeente Den Haag doet dat wel.

Ook de Arnhemse wethouder Willem Hoeffnagel wil alleen een bedrijf met keurmerk. Maar hij vindt het helemaal niet gek om kritisch naar de prijs te kijken. Arnhem gunde de inburgering deels aan het ROC en deels aan andere bureaus. Werkloze inburgeraars kunnen de cursus bij een ROC combineren met een van de opleidingen waardoor de overstap naar werk eenvoudiger wordt.

Een particulier bureau leek het beste in staat opvoeders die onvoldoende het Nederlands beheersen op te zoeken en proberen over te halen een cursus te volgen. „Ze moeten geworven worden bij scholen en op consultatiebureaus”, zegt Hoeffnagel. „Met een folder krijg je niemand binnen.” Eenmaal op cursus moeten de cursisten niet alleen taalonderwijs krijgen maar ook op ‘wijksafari’, zegt Hoeffnagel. „We hebben gezocht naar een bedrijf dat dát kon bieden. De inburgeraars moeten niet alleen in de klas zitten, ze moeten de wijk door, weten waar de bibliotheek is, het zwembad, de sportschool. Ze moeten leren fietsen zodat ze hun actieradius vergroten. Dát is de weg naar participatie.”

In het Wereldmuseum is het inmiddels tijd voor koffie. De vrouwen zijn tussen de tien en dertig jaar in Nederland, praten bijna allemaal gebrekkig Nederlands. De taal goed leren is er eigenlijk nooit van gekomen, zeggen ze. Maar nu het er wel van komt, vinden ze het allemaal prettig. Een vrouw met zwarte hoofddoek. „Ik moest altijd mijn man of schoonzus meenemen naar en afspraak op school of bij de dokter. Nu durf ik eindelijk alleen.”