Het pension

Schelesen had me altijd gefascineerd. In boeken over Kafka kwam ik steeds weer dezelfde paar feiten en foto’s over hem en Schelesen tegen. Het was een plaatsje op een kilometer of zestig ten noorden van Praag. Kafka kwam er regelmatig op krachten in het pension van ene Olga Stüdl.

Hij leerde er een meisje kennen, Julie Wohryzek, met wie hij zich verloofde – zijn tweede verloofde na Felice Bauer. Hij vond haar dapper en eerlijk, maar verder noemde hij haar „ongeveer zo nietig als de mug die tegen het glas van mijn lamp vliegt”. De verloving zou dan ook op niets uitlopen.

Voorts schreef Kafka in Schelesen een kort meesterwerk, Brief an den Vater, waarin hij vader Hermann én zichzelf op onvergetelijke wijze de maat nam.

Kortom, Schelesen had hem tot opzienbarende daden geïnspireerd. Nu mij nog.

Bestond het eigenlijk nog wel? In Tsjechië wordt de Duitse benaming uit de tijd van Kafka niet meer gehanteerd. Het heet ook niet Zelezna, zoals sommige Kafka-experts beweren. Het moest, zo bleek me na een eindeloze reeks misverstanden met geconsulteerde Tsjechen, Zelízy zijn, gelegen bij het vroegere Liboch (nu Libechov).

Op dus naar Zelízy. Per trein. Het was opnieuw, net als naar Marienbad, een rammelende ex-communistische trein, maar dat was het lastigste niet. We moesten ergens halverwege overstappen en vervolgens een uur wachten op het boemeltje naar Zelízy. De plaats waar de overstap zijn beslag hoorde te krijgen, heette Všetaty. Maar wij zagen geen Všetaty. Alleen een perron met de naam I. Nástupište trok onze aandacht toen de trein stilhield.

„Moeten we er hier toch niet uit?”, vroeg mijn vrouw ongerust.

„Wat moet ik in Nástupište doen?”, vroeg ik. „We moeten naar Všetaty.” Ik ben heel rechtlijnig in die dingen.

„Ik ga toch maar even bij iemand vragen”, zei ze. Even later hoorde ik haar roepen: „Eruit! Het is wel degelijk Všetaty!”

Nástupište bleek Tsjechisch voor ‘perron’. Buiten adem van de spanningen kropen we even later op dat perron een donker hol binnen, dat een café bleek te zijn. Het was half elf in de morgen. Er zaten vijf Boheemse mannen, wat iets anders is dan bohémiens, aan een tafel grote pullen pils te drinken. Ze keken naar een televisietoestel waarop een kluchtige film te zien was. Ze lachten veel, maar ik wilde vuriger dan ooit naar Zelízy.

Eindelijk aangekomen in Libechov stonden we verweesd in een hoofdzakelijk met struikgewas gevuld landschap. Waar was Zelízy precies? Gelukkig bracht een Tsjechisch echtpaar, dagjesmensen op stap met hun eerste kindje, uitkomst. Zij sprak goed Engels, hij niet, want hij had op school nog Russisch moeten leren. Zij gidsten ons over een afstand van drie kilometer naar Zelízy, een vlekje in een bosrijke omgeving.

Daar, in de bocht van de drukke tweebaansweg naar Praag, lag het pension van Kafka. Het bleek nog steeds een soort pension te zijn. Het was onmiskenbaar hetzelfde huis als op de oude foto’s, al was het enigszins in verval geraakt. Het balkon aan de voorkant waarop Kafka vaak lag te zonnen, was helaas verdwenen. Maar er hing aan de gevel wel een fraaie, marmeren gedenkplaat met het hoofd van Kafka, gevangen tussen de lijnen van de Davidsster.