Blair aan einde van de rit: C’est la vie

Vandaag tien jaar geleden kwam Tony Blair aan de macht, zeer binnenkort treedt hij terug. Timothy Garton Ash keek terug met de premier, in de tuin van 10 Downing Street.

Als ik Tony Blair vraag zijn drie grootste successen en mislukkingen op het terrein van de buitenlandse politiek te noemen, hapt hij niet. „Daar doe ik niet aan mee… dat laat ik aan jullie over” – waarmee hij wel zal doelen op historici en journalisten. Maar hij wil wel kwijt waar hij trots op is: dat hij een strategische benadering van de Britse buitenlandse politiek heeft ontwikkeld die berust op de combinatie van harde en zachte macht, en op sterke allianties met zowel Europa als de Verenigde Staten.

Onder zijn bewind heeft Groot-Brittannië een belangrijke rol in harde machtsacties gespeeld, niet alleen bij de verdrijving van de Talibaan of de afzetting van Saddam, maar ook in Kosovo of Sierra Leone; maar het weert zich evenzeer op terreinen van ‘zachte macht’, zoals Afrika en de klimaatsverandering; en het blijft een hoofdrol spelen in de meeste grote kwesties, zoals Soedan, de wereldhandelsbesprekingen of Iran. Groot-Brittannië is een land met maar 60 miljoen mensen in een „betrekkelijk kleine geografische ruimte”, dus „moet het zijn gewicht en invloed doen gelden door middel van zijn bondgenootschappen.”

Dit is bondig, maar niet bepaald origineel. De meeste premiers van de afgelopen veertig jaar zouden het beaamd hebben. Wat is dan het bijzondere aan Blairs benadering? Zijn antwoord: „Het is een liberaal interventionisme.” Blairisme, zegt hij, betekent een vooruitstrevende kijk op de wereld, met als uitgangspunten de realiteit van onderlinge afhankelijkheid in een tijdperk van mondialisering en optreden volgens bepaalde waarden. „Ik ben een trotse interventionist.” Hij neemt geen woord terug van zijn toespraak in Chicago in 1999, waarin hij de liberaal-interventionistische ‘leer van de internationale gemeenschap’ uiteenzette. Ik opper dat de regering-Bush terugkomt op de bevordering van democratisering als pijler van haar buitenlandse politiek. Waarop hij antwoordt: „Of zij dat nu wel of niet doen, ik niet.”

Dit geldt ook voor Irak. Het merendeel van de gewone Irakezen wil vrede en democratie, maar die worden gesaboteerd door „krachten van buiten” – hij noemt Iran en Al-Qaeda – plus „een minderheid van binnenlandse extremisten”. Is het geen nachtmerrie voor hem dat hij de rest van zijn leven vragen over Irak zal blijven beantwoorden? Nee, dat lijkt hem volstrekt redelijk „maar als mensen zeggen dat Irak allesbepalend zal zijn, dan is het antwoord: het hangt ervan af wat er gebeurt.” Hebben ze dan ongelijk als ze stellen dat Irak het oordeel over zijn buitenlandse politiek zal bepalen? Nee, dat was er beslist een „belangrijke dimensie” van; maar het is nog te vroeg om te zeggen hoe Irak zal uitpakken. Dat zal de geschiedenis ons leren.

Ik ga in op die twee allianties. Het enige grote programmapunt op het gebied van de buitenlandse politiek in het Labour-verkiezingsmanifest van 1997 was dat „Groot-Brittannië de leiding in Europa moest krijgen die Groot-Brittannië en Europa nodig hadden”. En? „Groot-Brittannië is wel degelijk een leider in Europa geweest,” zegt hij ietwat defensief, al is „de Britse houding aan de oppervlakte nog altijd halsstarrig eurosceptisch”.

Dat is voor een groot deel te wijten aan de eurosceptische media. Europa is bij uitstek het terrein „waarop zelfs vrij verstandige onderdelen van de media mij aansporen om dingen te doen die naar ik weet oerstom zijn, en die iedereen op mijn stoel oerstom zou vinden.” Maar zijn theorie daarbij is dat „het Britse volk verstandig genoeg is om te weten dat het wel een bepaald vooroordeel over Europa kan hebben, maar daarom nog niet verwacht dat de regering dit per se deelt of daarnaar handelt.”

Steekt het hem niet een beetje dat, juist nu Downing Streets droomconstellatie van Europese leiders in de maak lijkt, met een nieuwe Franse president, een beminnelijke Duitse kanselier en een behulpzame voorzitter van de Europese Commissie, hij zich opmaakt om het toneel te verlaten? Hij schiet halverwege mijn vraag al in de lach en zegt dan met een wrang lachje: C’est la vie. Ik vat dat als een ja op.

Wat het andere centrale bondgenootschap van Groot-Brittannië betreft, vraag ik: wat is Groot-Brittannië de afgelopen tien jaar nu eigenlijk wijzer geworden van zijn ‘bijzondere relatie’ met Washington? De relatie zelf, is zijn antwoord, en de invloed die we daardoor op andere kwesties kunnen uitoefenen, zoals de wereldhandelsbesprekingen en het vredesproces in het Midden-Oosten. „Tijd dat we een onafhankelijke buitenlandse politiek krijgen” is een makkelijk zinnetje om applaus te oogsten, maar neem eens afstand van de VS en zie dan hoe je invloed terug zal lopen.

Hoewel hij stelt dat de Britse relaties met zowel Europa als de VS hechter zijn dan tien jaar geleden, erkent hij ook dat de Britten nog altijd ver verwijderd zijn van zijn ideaal: dat ze zich bij die dubbele relatie „op hun gemak” voelen. Brits rechts is niet gelukkiger over onze banden met Europa dan in 1997, en links is zelfs nog ongelukkiger dan toen over onze banden met de VS. Sommige onderdelen van de media, voegt hij hier aan toe, zijn nu eurosceptisch én anti-Amerikaans: „Denk daar maar eens over na.”

De grootste verandering in zijn tien jaar Downing Street is misschien wel hoe het lokale is overgenomen door het mondiale. „De buitenlandse politiek is geen buitenlandse politiek meer.” Je dilemma als nationale leider is dat „je land wil dat je je op het binnenland richt, terwijl de uitdagingen waar je voor staat toch echt vaak mondiaal zijn.” Het is bijvoorbeeld belangrijk dat we in eigen land iets aan de klimaatsverandering doen, maar in werkelijkheid „is het doel daarvan een impuls te geven aan je internationale leiderschap.” We hebben dan ook meer mondiaal bestuur nodig: zowel een hervormde VN als allianties om actie te ondernemen. Een gemeenschap van democratieën is een mooi idee, maar in praktische politieke zin „bouw je voort op het Europees-Amerikaanse bondgenootschap.”