Angstzweet

Ik heb een beer gezien. Geen teddybeer en ook niet opgesloten. Een zwarte moederbeer en haar jong, kuierend door een Canadees woud, waarin mijn geliefde en ik een tweetal uren eerder waren verdwaald. Mijn humeur was er net onder begonnen te lijden dat het wandelpad zomaar was opgehouden om in een eindeloze wirwar van doornen, droog hout en verstopte rotsen te transformeren. De wandeling rond Lac Saint Philippe bleek een van mijn minder briljante ideeën, zo meende mijn geliefde te kunnen samenvatten. Onze wens om dieren (of op zijn minst vreemde) te zien, had pathetische vormen aangenomen. Niet één rendier kruiste ons pad. Eekhoorns, ja, massa’s, en een keer iets dat een bever kon zijn, in de verte.

Tot mijn geliefde, gehurkt achter een steen, heftig gebarend „Kom, kom, kom!” riep. Beer en beertje dus, een vijftiental meters van ons vandaan. Een grote volwassen berin. Haar glimmende vacht. Haar rustige stappen, gecontroleerder dan die van haar jong dat pas uit een middagslaapje ontwaakt leek te zijn. Ik denk dat de meeste mensen aanvankelijk net als wij door ontzag en vertedering zouden worden verstild.

Om een of andere reden vonden wij het nodig deze fase van bewondering van luidruchtig commentaar te voorzien. Waarop de pas van de berin bevroor. En wij abrupt zwegen. Toen zij zich weer in beweging zette, maakte zij een bocht in onze richting, haar neus in de lucht, op zoek naar mensenzweet, dat steeds overvloediger met angst werd geïnjecteerd. Toen de majestueuze berenkop zich langzaam maar gericht naar ons omdraaide, begreep ik de situatie eindelijk. Hier stonden twee toeristen met traagwerkende hersenen oog in oog met een kolos die er zes seconden voor nodig heeft om honderd meter te rennen. Tijdens onze reis hadden we al een paar stoere berenverhalen horen vertellen, maar toen leek aandachtig luisteren tijdverspilling. Wij wonen in een stad. Op reis verwachten wij hooguit wat rendieren. Het enige wat we ons wél herinnerden was dat iedereen het erover eens was dat een beer je doorgaans met rust laat. Behalve wanneer ze een jong bij zich heeft.

Wij zeiden werkelijk iets als „wa-wa-wat nu?” Onze knieën knikten echt. De angst die vrijkomt bij het zien van een wild dier, lijkt een stadsmens te veranderen in een kinderboekpersonage uit de jaren vijftig.

Ik besliste, ongemotiveerd maar verrassend kordaat, om de heuvel af te rennen, naar het water. Beren kunnen weliswaar zwemmen, maar tot de knieën in het koude nat gaan staan leek mij een onderdanige, zelfs meelijwekkende impressie te zullen nalaten. Eventueel zou ik tijdens het achteruit waden „sorry, sorry, sorry” fluisteren. Mogelijk zou de beer bij het zien van zoveel zwakheid besluiten dat een aanval werkelijk geen enkele uitdaging inhield en een weinig educatieve, zelfs enigszins belachelijke indruk zou maken op het jong.

Natuurlijk zouden wij, gezien de loopsnelheid van het dier, nooit de waterkant hebben gehaald, mocht de berin de achtervolging hebben ingezet. We hielden er de nodige schrammen en blauwe plekken aan over. Tijdens het rennen dacht ik aan die Bengaalse tijger die een stuk uit het gezicht van een vrouw beet in de Olmense Zoo en aan de afgerukte dierenartsarm tussen de tanden van een krokodil in een dierentuin in Taiwan.

Terwijl we met de wagen het woud uit scheurden, las ik in de reisgids dat je er bij een confrontatie met een beer goed aan doet je armen boven het hoofd uit te strekken en zacht wiegende bewegingen te maken. Ook in dat geval druipt de beer waarschijnlijk af door een teveel aan plaatsvervangende schaamte.