Ze spugen naar me

Kazimierz Sulka werkte ooit voor de geheime politie van Polen.

Nu, in 2007, is hij nog steeds een paria in zijn dorp.

„Op een dag worden we gebeld. Mijn vrouw neemt op. Sla maar alvast planken in, zegt een stem aan de andere kant van de lijn. Welke planken, vraagt mijn vrouw, verbaasd. Voor de doodskist van je echtgenoot!”

Kazimierz Sulka (52) loopt leeg, als een ballon. „Dit is geen normaal land”, zegt hij, gezeten op een krukje dat de grote man en zijn frustratie maar net kan dragen. „Polen is ziek en verdient een pak rammel!”

Ruim twintig jaar geleden werkte Sulka voor de SB, de geheime politie van het communistische regime, en maakte hij het leven van dissidenten zuur. Deze krant sprak met hem in 1990 en nu weer.

Zijn eigen problemen begonnen toen hij, in het najaar van 1986, een bevel weigerde. Het bevel om een priester te vermoorden. Zijn ‘verraad’ kwam hem duur te staan: Sulka werd jarenlang gepest door oud-collega’s, ook toen Polen al lang weer een vrij land was.

„In het dorp”, zegt hij, terwijl hij door het raam naar de huizen onderin het dal wijst, „word ik nog steeds voor de voeten gespuugd.”

Sucha Beskidzka, vlakbij Wadowice, de geboorteplaats van paus Johannes Paulus II in het zuiden van Polen, is niet meer het slaperige bergdorp dat het ooit was. Het kapitalisme, inclusief bedelaars, heeft er wortel geschoten: in de hoofdstraat wemelt het van de winkels. Het ruikt er naar kebab. „Maar in wezen is het nog steeds een communistisch dorp.”

Sulka is nog steeds beducht voor wraakacties. We mogen langskomen, maar worden eerst lang uitgehoord. „Ik moet er zeker van zijn dat dit geen valstrik is”, zegt hij vooraf, over de telefoon.

In 1990, in die eerste democratische dagen, was Sulka veel in het nieuws. Hij deed voor een waarheidscommissie de methoden van de geheime politie uitgebreid uit de doeken. Hij eindigde zijn getuigenis met de hoop „dat er iets kan veranderen” in Polen. Zeventien jaar later koestert hij enkel wrok. „Ik heb nooit meer een echte baan kunnen vinden. Daar hebben mijn oud-collega’s wel voor gezorgd. Op een dag hing er op het prikbord bij de kerk opeens een tekst over mij – dat ik een bedplasser en een psychopaat ben. Typisch SB. Ik kan het weten.”

De priester die Sulka moest liquideren heette Adolf Chojnacki, een naam die in Polen verbonden is met Soldariteit, de vrije vakbond van Lech Walesa. De moord moest op een auto-ongeluk lijken. Een bergweg, een steen door de ruit – dat soort werk. Sulka wilde niet, maar vreesde voor zijn eigen leven als hij zou weigeren en ging toch maar een paar keer die bergen in. Maar de stenen bleven in de zak.

Achter Sulka, in een kast, staat een rij klappers. Zijn leven, als dader en slachtoffer. Hij pakt blind een map en laat de door hem verspreide amateuristische prentjes zien waarop ‘Adolf II’ (Chojnacki) ‘Adolf I’ (Hitler) toejuicht. Onderdeel van een lastercampagne tegen de priester die later een goede vriend zou worden. De twee kinderen van Sulka zijn door Chojnacki gedoopt.

De priester stierf in 2001. „Van verdriet”, zegt Sulka. Vader Chojnacki bleef na 1989 een luis in de pels, vooral van de kerk die de priesterinformanten met rust liet en alles bedekte met de mantel der liefde. Hij werd overgeplaatst naar het buitenland, naar Roemenië en Oekraïne. Sulka: „De kerkleiding wilde hem de mond snoeren. Zij gelooft in engelen en ezels, maar de waarheid kan ze niet aan.”

Begin jaren negentig was Sulka hoofdgetuige in een rechtszaak tegen zijn superieuren. Die werden veroordeeld voor tientallen misdaden, maar niet voor het beramen van de moord op de priester Chojnacki. Harde bewijzen ontbraken. Verbrand, zegt Sulka. Zijn bazen kregen voorwaardelijke celstraffen en kwamen meteen op vrije voeten. „Ze konden verder met hun leven alsof er niets was gebeurd.” En volgens Sulka geldt dat voor veel oud-communisten.

Hij is dan ook zeer te spreken over de gebroeders Lech en Jaroslaw Kaczynski, de huidige president en premier van Polen. Zij hebben beloofd de rekening met de oud-communisten alsnog te vereffenen. De politici willen flink snoeien in de staatspensioenen van oud-spionnen en willen voormalige informanten alsnog aan de schandpaal nagelen. Kazimierz Sulka: „Sinds 1989 heeft geen enkele regering dat aangedurfd. Het is de hoogste tijd.”