Weemoed, dronkenschap

Koninginnedag 2007. Het is tien uur in de ochtend en een koele bries veegt een plat plastic bekertje over straat. Een vrachtwagen laadt een podium uit. Een dronken jongen oefent met lopen. De stad draait zich nog eens om. Op een pleintje is het al een drukte van belang. Kinderen sluipen gespannen langs kleedjes en zeiltjes met speelgoed, boeken, platen en elektrische apparatuur met heel veel draad. Ouders kijken liefdevol toe. Ouders gapen in hun koffiemok. Sjoelen 20 cent, altijd prijs. Het muntje in het glas in de emmer water gooien levert een cakeje op. Ernaast ook. Zelfgebakken koekjes 5 cent. ‘Onzin te koop, 20 cent’: een jongen van een jaar of acht, met een oranje geverfde lok, vertelt een verhaal over kabouters die worden platgetrapt door een enge man, die op zijn beurt voor straf wordt omgetoverd in een vis. De kinderen hangen aan zijn lippen. Aangeschaft: een rammelaar, een National Geographic uit april 2000 met een opengesperde haaiebek op de voorkant (‘Inside The Great White’), een kabelbaanliftje, een heel irritant fluitje dat thuis plotseling, heel merkwaardig, kwijt is geraakt en voor pappa, in een flits zag hij het liggen, ingebed in een kluwen draden, een lomp, half beschimmeld apparaat met roestige contacten en lange, kleverige snoeren met aan het eind scheve stekkerpunten: De Commodore 64, mét joystick, bandrecorder en zelfs een originele 154L Disk Drive én dertig slappe floppydisks (Flash Gordon, The Hobbit, Conan, Summer Games, Destiny, Summer Games II.) „Maar waarom moet dat ding dan mee?” „Dat is een collectors item! Dat is de Playstation van eind jaren tachtig.” „Ja, én?” „Computerprogramma’s werden in de computer geladen via een cassettebandje, snap je niet hoe bijzonder dat is?” „Ik wil dat gore ding niet in huis.”

Het is twaalf uur ’s nachts en in het licht van de bijna volle maan fiets ik door het Diemerbos van een televisiestudio naar huis. Op het pad probeer ik op mij af stormende schimmen te ontdekken. Ik zie een keer een man met een bijl achter een boom vandaan komen. Het is een konijn. En dan, plotseling, vlak bij een snelweg, de A9 – ik knijp in mijn remmen, mijn achterwiel vliegt omhoog – zie ik een lichtje en twee gedaantes. Te laat om bang te zijn. Mijn ogen stellen scherp. Ik ben op een haar na door een groot zeil heen gefietst dat van de snelweg naar beneden over het fietspad is gespannen. Een paar jongens komen gniffelend naar mij toe. Een van hen rolt een joint. Auto’s zoeven over ons heen. Ik spiek achter het zeil, onder de snelweg. Het kleine viaduct is omgetoverd tot illegale buitendisco, met gigantische boxen, een rij lampen en een paar kratten met blikjes erin die op RedBull lijken. ‘Diep Gezonken’ heet het feest dat 250 jongeren naar deze desolate plaats moet trekken. Ik word oud.

In het centrum is de sfeer grimmig. Het lijkt of er een veldslag heeft plaatsgevonden. Overal glas, blikjes, dozen, oranje slingers en rondgetrapte overblijfselen van de vrijmarkt. Een groepje agressieve, dronken mannen zwalkt over straat. Een schopt tegen een blikje, de ander tegen een fiets en een derde vloekt tegen alles wat-ie ziet. Niets ergers dan agressieve, dronken mannen. Maar ze gaan weer weg. De stad spuwt ze uit. Een schoonmaakauto rijdt enthousiast in op een berg plastic en glas. Een paartje loopt verliefd over de stoep, haar hand in zijn achterzak. In de verte sterft het geluid weg van een sirene. We hebben het weer overleefd. Ik raap de zware, plakkerige bodem van een fles Wodka Lime van mijn stoep en loop naar binnen. In de gang glimt de Commodore 64 van trots.

Beau van Erven Dorens