Ongeschonden

Zonder het te beseffen blijk ik in Praag een hotel te hebben geboekt dat mij met mijn neus in de wereld van Franz Kafka duwt. Vijftig meter van mijn hotel staat in de Fleischmarktgasse (Masná in het Tsjechisch) de Deutsche Knabenvolksschule die Kafka van 1889 tot 1893 bezocht. De school verschilt vrijwel niets van de school op de oude foto’s die ik bezit.

Dat geldt ook voor het appartement dat Kafka in 1915 even verderop op Dlouhá 16 betrok. Bijna een eeuw later is het pand, getiteld Zum Goldenen Hecht, nog goed herkenbaar, inclusief het huiswapen met de glinsterende snoek, vlak onder Kafka’s appartement op de vierde verdieping aangebracht.

Ik kan me een interview herinneren met de schrijver Saul Bellow, waarin hij constateerde dat er van het Chicago van zijn jeugd, zoals beschreven in zijn roman The Adventures of Augie March, vrijwel niets was overgebleven. Het contrast met het Praag van Kafka kan niet groter zijn. Van de veertien huizen waarin hij gewoond heeft, is het grootste deel nog ongeschonden.

Zouden ze in Praag wel beseffen wat een luxe dat is? Ik geloof het niet. Kafka is de beroemdste zoon van de stad, maar er bestaat nog steeds geen met bordjes aangegeven route die de bezoeker langs de adressen loodst waar Kafka zijn leven doorbracht. Slechts enkele huizen zijn van een gevelsteen voorzien, zoals zijn geboortehuis naast de St.-Nicolaaskerk.

Ik had een merkwaardige ervaring toen ik stond te kijken naar een van de belangrijkste huizen uit Kafka’s leven: Zu den drei Königen in de Zeltnergasse (Céletna 3), vlakbij het Plein Oude Stad. Kafka woonde daar bijna tien jaar, hij bracht er zijn puberteit door en begon er met schrijven. Zijn vader dreef er op de begane grond zijn winkel in galanteriewaren. Vooral hier zag Kafka de ware aard van zijn vader, waarover hij veel later schreef: „Maar u hoorde en zag ik in de zaak schelden, schreeuwen en opspelen, zoals het volgens mij zijn gelijke in de hele wereld niet had. En niet alleen schelden, ook tiranniseren.”

Terwijl ik de gevel in me opnam, kwamen er onder begeleiding van een gids tientallen toeristengroepen voorbij. Niemand bleef staan voor Kafka’s woning, die het zonder gevelplaat moet stellen. Als ik uit Nederland niet enkele Kafka-reisgidsen had meegenomen – waaronder Klaus Wagenbachs onvolprezen Kafka’s Praag – zou me hetzelfde zijn overkomen.

Zou het komen doordat Kafka, hoe morsdood ook, als schrijver zo lang persona non grata voor het communistische regime is geweest? Moet men nog steeds wennen aan de gedachte dat Kafka voor Praag belangrijker is geworden dan men tot 1989, het jaar van de Fluwelen Revolutie, voor mogelijk heeft gehouden? Praag zou zijn zegeningen moeten tellen.

Ik zit op een terras op het Plein Oude Stad met uitzicht op het huis Minuta, waar Kafka als jongetje jarenlang woonde. Hier gaf hij als kind een bedelares een royale gift. Hij had een ‘sechser’ gekregen, een munt met de waarde van tien kreuzers. Het was een heel bedrag en hij schaamde zich voor de bedelares om haar in één keer zo’n groot bedrag te geven. Dus wisselde hij de munt om voor tien kreuzers en maakte evenzoveel wandelingen rond het raadhuis om de vrouw elke keer één muntstuk te geven.

Die wandeling van de kleine, schroomvallige Kafka is nog steeds helemaal na te lopen. Een volwassene doet er drie, vier minuten over. Alles is er nog. Het raadhuis, de arcade van de kleine Ring. Er zijn niet veel wereldsteden die Praag dát kunnen nazeggen.