Ik moest hem vermoorden

Kazimierz Sulka werkte voor de geheime politie van Polen.

Toen, in 1990, vertelde hij hoe hij bereid moest zijn tot alles – zelfs tot moord.

„Een steen was genoeg, zei mijn chef, een steen door de voorruit van die priester, op een bochtige bergweg. Verder hoefde ik me er alleen maar van te overtuigen dat hij dood was. Ik ben een paar keer met een zak stenen op weg gegaan, maar ik kon het niet.”

Kazimierz Sulka is 34 jaar, een kolossale man met een blozend gezicht, rossig haar en blauwe ogen. Hij loopt op sloffen door zijn kamer en sleept koffie aan, mineraalwater en sigaretten – een reus, maar lenig en snel.

We praten over de SB, de veiligheidsdienst, de Poolse geheime politie. Anderhalf jaar heeft Sulka daar gewerkt, in Sucha Beskidzka. Anderhalf jaar en een gewetensconflict lang: over de priester die door hem moest worden vermoord.

Sucha Beskidzka is een slaperig dorp met zesduizend inwoners in de Karpaten, niet ver van de grens met Tsjechoslowakije. Een dorp in een middelgebergte met veel bos, landbouw en vriendelijke riviertjes in de dalen. Een handvol huizen tegen de helling, een kerk, een fabriekje waar 115 mensen werken, een hoofdstraat met grijze gebouwen. Op het dorpsplein is een festival van volksmuziek aan de gang. Meisjes in lichtblauwe schorten met vlechten en linten in het haar, jongens met zwarte platte hoeden, als helmen van vilt. In veel tuinen staan glazen kastjes met een Christus- of een Mariabeeld, en stapels brandhout, keurig op maat gezaagd, onder een houten afdak.

Kazimierz Sulka kwam hier in 1985. Hij wilde dichter bij Zawoja wonen waar hij vandaan kwam – dertig kilometer van hier. „De kaderafdeling in de provinciehoofdstad vertelde me dat alleen de SB, de geheime politie, op mijn niveau – inspecteur – iets te bieden had. Ik heb ja gezegd, ik wist niets van de SB. Maar iedereen weet: een overplaatsing naar de geheime politie is een geweldige promotie.”

Zo kwam Sulka in Sucha Beskidzka. „Vijftien agenten had de SB in dit dorp”, zegt hij, „die alle soorten onderzoek uitvoerden en iedereen in de gaten hielden. Ze verzorgden de bescherming van de plaatselijke nomenklatoera, ze zochten naar sporen van oppositie, bij de kerk, bij Solidariteit. Ze hielden de intellectuelen in de gaten, de onderwijzers, de juristen, de jeugdorganisatie. Elk van die vijftien agenten had een netwerk van ten minste vijftien informanten. Er werkten in dit dorp dus zeker 225 mensen voor de geheime politie. „Niet dat fabriekje was de grootste industrie hier, dat waren wij.”

De gewone politie en de ORMO (reservepolitie) hadden ieder hun eigen netwerk van informanten. Dan waren er nog de OZ (vertrouwensmensen, op incidentele basis in te schakelen) en de partij-activisten. Zo zat onder het socialisme in Polen elk dorp, elke wijk en elke stad gevangen in een vijfvoudig netwerk: de totale controle die verklaart hoe het socialisme zo lang stand kon houden. Sulka: „Een mens slipt wel eens door één zeef, maar niet door vijf zeven.”

Sulka was verantwoordelijk voor de kerk in het hele dekenaat: achttien parochies met 52 priesters. Hij bouwde zijn eigen netwerk van verklikkers en informanten, veelal met chantage en dreigementen. Als een priester te ver ging, werd er ook wel eens geweld gebruikt. Acht van de informanten waren zelf priester. „Soms”, zegt Sulka, „was het best gezellig. Je kreeg wijn als je erheen ging, en je hielp hen schaars bouwmateriaal te vinden. Je gaf hun benzinebonnen. In ruil kreeg ik alle informatie, zoals documenten van het episcopaat. Sommige informanten waren pastoors, die zorgden er wel voor dat de kapelaans niet aan politiek deden.”

Want de grootste zorg van de SB gold politieke priesters. „De kolonel was heel fel, hij zei dat we die priesters zonder enige vorm van genade moesten bestrijden. Adolf Chojnacki stond ook op de lijst. Hij werkte in Krakow, gaf in zijn kerk onderdak aan politieke hongerstakers.”

Voor Sulka begonnen de problemen in februari 1986, toen Chojnacki in Juszczyn, vlakbij Sucha Beskidzka, kwam wonen. Sulka werd ontboden bij de provinciale chef van de SB, kolonel Stanislaw Kalat. „Hij zei me me helemaal op Chojnacki te concentreren, alle informatie te verzamelen, ook over zijn omgeving. Hij zei: we moeten hem eens flink knijpen.”

Er werd een plan gemaakt. Allereest zouden er geruchten over Chojnacki worden verspreid. De priester zou geestesziek zijn. Hij zou bovendien een westerse agent zijn die voor dollars werkte. Het tweede punt betrof een briefkaart die Chojnacki zou worden toegestuurd na geruime tijd in Juszczyn te hebben gecirculeerd, zodat veel mensen de tekst konden lezen. De kaart was zogenaamd geschreven door de moeder van Chojnacki’s kind en bevatte een verzoek om geld. Sulka: „Natuurlijk was er geen kind en geen moeder.” Het derde punt bestond uit pesterijen: de telefoondraden van Chojnacki’s pastorie zouden worden doorgesneden, zijn huis zou worden beklad, en zijn honden vergiftigd.

Als dat alles niet zou helpen, moest het vierde en laatste punt van het plan een oplossing bieden: moord, door ‘het veroorzaken van een ongeval waarbij Chojnacki om het leven zou komen’. Sulka: „Zo stond het er letterlijk. Ik ben heel erg geschrokken.”

Weken later werd Sulka bij kolonel Kalat geroepen. De eerste drie punten van het plan waren toen al uitgevoerd, inclusief de briefkaart en de vergiftiging van de honden. Sulka: „Kalat gaf me toen de opdracht punt vier uit te voeren. Chojnacki moest worden geliquideerd. Zo zei hij het: geliquideerd. Die optie, zei hij, was het beste, voor de SB en voor mij.”

Protesten baatten hem niet. Ontslag nemen was er niet bij. „Ik wist te veel, ze zouden ook mij kunnen vermoorden. Maar ik kon het niet. Ik heb overplaatsing gevraagd, en vervolgens ontslag genomen, maar het werd niet geaccepteerd.”

Op 30 november 1986 stapte Sulka naar zijn chef, luitenant Kecki. Hij vertelde hem dat hij niet zou terugkomen, en dat hij alle SB-acties tegen de priester zou onthullen. „Kecki’s enige antwoord was: we zullen je vernietigen.” Op 10 december werd Sulka gearresteerd en beschuldigd van diefstal van een hekwerk.

Uit zijn cel smokkelde hij brieven naar Chojnacki, waarin hij om hulp vroeg. Een van die brieven werd onderschept. De SB kwam Sulka opzoeken met het dreigement dat het onthullen van SB-geheimen hem tien jaar gevangenisstraf kon kosten. De procureur opende een nieuw onderzoek: Sulka werd formeel beschuldigd van het belasteren van de SB. In juni 1988 werd Sulka wegens diefstal veroordeeld tot twee jaar gevangenisstraf. In hoger beroep volgde vrijspraak wegens gebrek aan bewijs, maar op de dag van zijn vrijlating werd hij gearresteerd en in staat van beschuldiging gesteld wegens belastering van de geheime politie. Op 10 oktober 1988 werd hij daarvoor tot een jaar gevangenisstraf veroordeeld. Het vonnis werd vijf maanden later in hoger beroep terugverwezen.

Anno 1990 is de SB ontmanteld, maar het proces tegen Sulka loopt nog steeds. Onder de getuigen bevindt zich de priester Adolf Chojnacki. „Ik heb vriendschap gesloten met Chojnacki”, zegt Sulka. „Na mijn vrijlating zijn mijn vrouw en ik voor de kerk getrouwd, en hij heeft het huwelijk ingezegend.” Hij laat de foto’s zien: de blozende reus, een blonde vrouw, een tanige priester.

Sulka werkt sinds kort als mijnwerker, op honderd kilometer van Sucha Beskidzka. Hij reist heen en weer, want uit Sucha Beskidzka wil hij niet weg. Kolonel Stanislaw Kalat, chef van afdeling IV van de geheime politie in Bielsko Biala, is inmiddels met pensioen gegaan. Luitenant Marek Kecki, chef van de geheime politie, werkt nog steeds in Sucha Beskidzka, al weet niemand als wat.

Dit is een ingekorte versie van een artikel uit NRC Handelsblad van 19 mei 1990.