Hells Angels geven eigen stek niet op

De gemeente Amsterdam eist een terrein van de Hells Angels op. Maar de motorclub wil niet weg van het terrein aan naast de Bijlmerbajes.

Ze vinden het een heerlijk terrein, zegt advocaat Huib Struycken namens de Amsterdamse Hells Angels. Jaren zitten ze er al. Het is afgelegen en rustig. Hun clubhuis staat er en er wonen twee gezinnen. En de natuur kan er ook zijn gang gaan, vertelt Struycken.

Een paar Hells Angels zijn een poosje geleden aan het hobbyen geslagen. Ze groeven een vijvertje en hebben nu een soort „biologische tuin”. Er springen kikkers rond, hagedissen en er nestelt een ooievaar. „En laat ik de vleermuizen niet vergeten.” Laatst kwam een stadsbioloog een kijkje nemen. Die vond het volgens Struycken wel „vrij belangwekkend”.

Maar onlangs kregen ze een briefje van de gemeente Amsterdam. De gemeente eiste het terrein aan de H.J.E Wenckebachweg, naast de Bijlmerbajes, terug. Vandaag, 1 mei, moest de motorclub het terrein verlaten. Maar de Hells Angels piekeren er niet over. Struycken: „De Hells Angels zien niet in waarom ze het terrein moeten verlaten.”

Wie heeft er recht op het terrein aan de Wenckebachweg? In 2004 kwam abrupt een einde aan de relatie van Hells Angels en gemeente. Burgemeester Cohen verbrak alle contacten. Aanleiding was de vraag van justitie of ze een criminele organisatie vormden.

In 1974 richtte ‘Big’ Willem van Boxtel met anderen de Stichting Hells Angels op. Ze kregen subsidie van de gemeente, en het plekje aan de Wenckebachweg, ruim 590 vierkante meter. Het terrein bleef eigendom van Amsterdam. In 1988 verkocht de gemeente voor één gulden de gebouwen aan de motorclub. Eind jaren negentig wilde de gemeente het gebied zelf ontwikkelen. Er moesten kantoren en woningen komen. De motorclub spande een kort geding aan. Want ze hadden de gebouwen dan wel voor een gulden gekocht, de gemeente heeft de zaak nooit ‘geleverd’. De Hells Angels wonnen het kort geding. De gemeente moest de gebouwen officieel overdragen en de motorclub kreeg het recht van opstal.

Sindsdien zitten de Hells Angels en de gemeente geregeld om de tafel om een nieuw onderkomen te zoeken. In 2002 brandde het clubhuis af. Een ongelukje, constateerde de brandweer. De Hells Angels bouwden een nieuw onderkomen van tweedehands loodsen en kregen een tijdelijke vergunning. Die verliep in oktober 2003. Tot Cohen in 2004 het contact verbrak, bleven de partijen overleggen.

Sindsdien interpreteren Hells Angels en gemeente hun verbroken relatie op eigen wijze. Wij willen best weg, zeggen de Hells Angels, maar moeten dan wel iets anders krijgen. En, ja die vergunning is verlopen, maar dat komt omdat jullie ons niets anders geven.

Ja, zegt de gemeente, jullie hebben recht op een gedeelte van de grond, maar jullie hebben voortdurend meer grond geannexeerd. Volgens een woordvoerder hebben ze inmiddels „tien keer zoveel” in gebruik. Dat wil de gemeente in ieder geval terug. Voor de grond waar ze wel recht op hebben, moet een vergunning aangevraagd worden. En omdat de Hells Angels niet van plan zijn te vertrekken, zal de gemeente de rechter om een ontruimingsvordering vragen.

Ja, ja, zegt advocaat Strucyken, wij zien het spelletje wel. Als de Hells Angels een vergunning aanvragen, wordt die getoetst aan de wet Bibob (bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur). De kans dat ze dan een vergunning krijgen, is klein. Hij geeft toe dat ze meer grond in gebruik hebben. „Maar dat is al dertig jaar zo.” Volgens Struycken zit de burgemeester met een politiek dilemma, dat de rechter maar moet oplossen. „Ik denk dat de gemeente een beetje spijt heeft dat ze de Hells Angels ooit een nieuw onderkomen heeft beloofd.”