Een ingewikkeld dieet van rode wijn en stokbrood

In Parijs had ik verwacht dat ik opgeslokt zou raken door de verkiezingsgekte, de strijd tussen rechts en links, tussen man en vrouw, tussen lelijk en knap, kortom tussen Sarko en Ségo.

Maar er was niets van te merken. Misschien werd ik afgeleid door de vrouwen van Parijs. Altijd als ik in een ander land ben, wil ik de vrouw van dat land worden. In New York wil ik een power-werkend, stijlgeföhnd wezen zijn. In Rome een druk gesticulerend, grootbezonnebrild mensje. En in Parijs wilde ik plotseling dun zijn. Ik schaam me, maar het was zo.

Ik had wel eens vernomen dat Franse vrouwen niet dik worden omdat ze een ingewikkeld dieet van rode wijn en stokbrood tot zich nemen, wat bij andere nationaliteiten leidt tot ongelofelijke obesitas, maar in het Franse gestel dusdanige chemische reacties teweegbrengt dat het lichaam zelf een baguette wordt.

Maar ik had dat nooit zo gezien. Franse vrouwen leken me net Nederlanders. Tot nu. In de lente. Elke dag bloesjesdag (jour de blouse). Ineens zag ik dat Franse vrouwen inderdaad niet dik zijn, sterker nog, dat ze lopende kledinghangers zijn waar fladderige gewaadjes aan hangen.

Daartussen liep ik. Vond ik mezelf in Nederland redelijk rank, nu voelde ik me de breedheupige directrice van een weeshuis. Hoe ik ook probeerde met de kleren uit mijn koffer, ik kwam niet tot de gazelle-achtige uitstraling die ik zocht. In het park staarde ik ze na, die creatuurtjes met hun beentjes en hun botjes, en vroeg me af wat hun geheim was.

Dan maar naar de winkels, om dezelfde stijl te krijgen. Bij Agnès B kwam de vuurproef; er waren alleen gemeenschappelijke kleedkamers. De vrouwen liepen in en uit, en de verkoopsters kwamen alsmaar met slechte timing het gordijn openschuiven. Vanuit mijn ooghoek bestudeerde ik mijn mede-winkelaarsters, benieuwd hoe het er uitzag onder die bloesjes en rokjes.

Gelukkig. Het ondergoed was lelijk en er was sprake van kwab en lap. Niet alles zat strak, sterker nog, veel zat los. De Franse vrouw was een baguette, maar wel zo eentje die fluffy was van binnen.

Toch bestelde ik die middag iets wat op het menu bij petites faims stond. „Met friet of salade?” vroeg de stokachtige serveerster. „Salade”, zei ik. Een idiote keuze, die ik thuis nooit zou maken. Gelukkig was ik daar straks weer. Bij mijn grofstoffelijke soortgenotes.