Als een dagjestoerist in het Witte Huis

Het telefoontje kwam toen ik een paar weken geleden in de auto op weg naar Blacksburg was om de schietpartij op Virginia Tech te verslaan. Kon ik 30 april in het Witte Huis zijn?

Achter het stuur kun je moeilijk zeggen: even in mijn agenda kijken. Dus er zat niets anders op dan toehappen. Later bleek het te gaan om een persconferentie na een bezoek van een EU-delegatie. Ontnuchterend. Maar ik had mijn woord gegeven, en trouwens: ik was al bijna twee jaar correspondent in Washington en nog nooit in het Witte Huis bij een persconferentie van de president geweest.

Een Nederlandse journalist is daar nu eenmaal zelden welkom. Amerika is in eigen ogen te groot geworden voor al die Europese landjes. De persdienst van Ronald Reagan (1981-1989) wond zich destijds zo op over de berichtgeving van Haye Thomas (NOS Journaal, Haagsche Courant) dat men hem de toegang tot het Witte Huis ontzegde. Dat soort heldhaftigheid zit er niet meer in.

Soms belt er iemand van het bureau voor buitenlandse journalisten omdat de ambassade in Den Haag moeite heeft met de vertaling van een kop. Daar houdt de aandacht van de regering wel mee op. Of ik Bush in mijn stukjes met Beria vergelijk, het monster van Frankenstein of Ernie (van Bert) – niet één Witte Huis-beambte zal er nota van nemen. Wij zijn gewichtloos geworden in Washington.

En wij niet alleen. Duitsers, Tsjechen, Ieren, Finnen: dagbladjournalisten uit heel Europa wordt tegenwoordig zowat standaard een accreditatie voor het Witte Huis geweigerd. Mug, ga weg!

De regering, schreef Stephen Hess van het Brookings Instituut vorig jaar in een boek over buitenlandse correspondenten in de VS (Through their Eyes) begaat een diplomatieke vergissing door correspondenten buiten te sluiten. Een voedingsbodem voor anti-Amerikanisme. „Open uw deuren, geef correspondenten toegang”, was Hess’ aanbeveling, die door de politieke elite integraal is genegeerd.

De vraag is dus: waarom ontvangt het Witte Huis mij vandaag dan wel? Ze geven ons de tijd om erover na te denken. We zijn gemaand ons uiterlijk 11.40 uur bij de hekken te melden, en naar later blijkt zal Bush pas ruim anderhalf uur daarna – 13.18 uur – zijn eerste zin uitspreken.

Een persmevrouw verstrekt bij de hekken opdrachten aan een verlegen ambtenaar van de EU, die ons naar binnen zal loodsen. De beveiliging is tiptop, maar de persmevrouw moet het zonder moderne hulpmiddelen stellen. Ze heeft een stapeltje oranje mediapasjes, en zal daar met de hand onze namen opschrijven. Geduld is dus geboden.

Maar wat geeft het. We zijn hier toch al een soort dagjestoerist. Ongegeneerd schieten collega’s kiekjes – al staat er vanuit onze hoek een nogal ordinair vrachtwagentje voor de ingang. Catering of zo.

Telkens mogen we enkele tientallen meters opschuiven. Dan weer wachten. En wachten. Het is midden op de dag – blauwe lucht, brandende zon. Een rossige Ierse collega heeft al na een kwartier een vuurrood hoofd. Verbrand. Hij probeert zonnebrand. Te laat. Hij wil een slokje water. Niet te krijgen. Na een uur zien we een strookje schaduw, een meter of vijf van de geparkeerde dienstauto van Frau Merkel. De beveiliging kan het onmogelijk toestaan.

Zo hebben we anderhalf uur in de zon gebakken als de Rose Garden opengaat. Voor onze ogen zal nu een gestroomlijnde show worden opgevoerd. Een man met een oortje komt de tekstvellen op de katheders leggen. Nog twee minuten!, gebaart hij.

Bush mag eerst en beheerst meteen het moment – zachte stem, ontspannen. De top heeft uiteraard een overaanbod aan goede bedoelingen voortgebracht. Hij somt ze serieus maar losjes op. Verbeterde economische samenwerking. Bevestiging goede relaties. Samen optrekken tegen Iran. Darfur. Cuba. Het gebrek aan consensus over klimaatbeheersing heet een gezonde discussie.

Merkel loopt honderd pr-cursussen achter. Ze spreekt langzaam en kijkt alsof een stekende pijn in haar rug is geschoten. Ze signaleert einen Riesenschritt nach vorne in de betrekkingen maar accepteert vandaag haar nederige rol: ze houdt het kort. Barroso ook. Dan is eindelijk het moment waarvoor wij, verslaggevers, met zijn zestigen (er zijn ook twintig Duitsers en twintig Amerikanen) zijn gekomen: ,,Any questions?”

Een paar flitsen en het is voorbij. Zes vragen staat Bush toe, over onder andere Irak (antwoord geen nieuws), Iran (idem) en Wolfowitz (idem). De Ier, die met het verbrande gezicht, heeft zijn hand nog steeds in de lucht als Bush het zaakje al heeft afgerond. Ook Merkel is overrompeld: ze loopt bij het vertrek de verkeerde kant op.

„Wat was de rol van de verslaggevers hier”, vraagt een Duitse collega als we naar de uitgang lopen. Ik word afgeleid door Tony Snow, de woordvoerder van Bush bij wie kanker was geconstateerd. Hij is vandaag weer begonnen: een verslaggever uit India wil met hem op de foto. „De rol van de verslaggevers hier”, zegt de Duitser, „was die van toeschouwers zonder wie de show van de president niet zou hebben gewerkt.”

Bij de hekken staat de persmevrouw van de pasjes weer. „Wilt u ze inleveren bij de bewaking?” Even verderop kijkt hij me goeiig aan. „Hou maar.” Wat zal ik doen, denk ik – dankbaar kijken?