‘230 per uur, en toen ging het mis’

Koninginnedag 1967 betekende voor de Nederlandse autocoureur van de eeuw, Gijs van Lennep, bijna het einde van zijn prille carrière. Hij crashte op het circuit van Francorchamps. Veertig jaar later is hij daar terug.

Gijs van Lennep op de plek waar hij gisteren veertig jaar geleden met zijn Porsche van de weg raakte. Foto NRC Handelsblad, Rien Zilvold spa francorchamps gijs van lennep 40 jaar na de crash foto rien zilvold Zilvold, Rien

Met verbazing in zijn ogen tuurt Gijs van Lennep (65) beurtelings naar het onschuldige asfalt en het lager gelegen weiland. „Hier moet het zijn gebeurd. Die knik in de weg nam ik met 230 kilometer per uur. Er toen ging het mis. Eigenlijk weet ik er niets meer van.”

Dat is een juiste conclusie. De racende jonkheer stond veertig jaar geleden op het punt aansluiting te vinden met de wereldtop in zijn tak van sport. Van Lennep was onverschrokken, had een gaaf gevoel voor techniek en werd begeleid door zijn vriend en weldoener Ben Pon. Van Pon kreeg hij de kans zijn capaciteiten te tonen in het prille Racing Team Holland dat met oranje auto’s, de officiële Nederlandse racekleur, de strijd aanbond met de concurrentie.

De Nederlandse Porsches waren, dankzij de gouden handen van monteur Karel Oudewortel, dikwijls sneller dan vergelijkbaar materiaal van de fabriek. Op de voor moed en talent maatgevende Nürburgring was Gijs augustus 1966 tijdens de training de snelste van alle coureurs met het model Porsche 906.

De race maakte deel uit van het bijprogramma van de Duitse Grand Prix F1. Alle teammanagers keken toe. Van Lennep leidde riant. Helaas voor hem brak er iets in de wielophanging en schoof hij in het struweel van de uitdagende piste met de bijnaam Groene Hel; geen resultaat en geen contact met de mensen die het in de Formule 1 voor het zeggen hadden. Een gemiste kans. De Nederlander stapte zonder schrammen uit, en dat was positief in een periode met veel slachtoffers. Over die tijd huldigt Sir Jackie Stewart, drievoudig wereldkampioen Formule 1, een afgewogen oordeel. „Vroeger was seks veilig en racen levensgevaarlijk. Nu is het andersom.”

Twee maanden later revancheerde Van Lennep zich door op Aspern, een vliegveldcircuit bij Wenen, een race te winnen. Hij versloeg de lokale matador Jochen Rindt die ook in een Porsche 906 racete. Zijn overwinning leverde de jonker uit Aerdenhout een contract op bij de Porsche fabriek.

„Manager Huschke von Hanstein liet mij de 24-uursrace van Daytona en de 12-uursrace van Sebring rijden in het voorjaar van 1967”. Belangrijke wedstrijden voor het merk met het oog op de Amerikaanse markt. „Het liep niet zo goed af. De eerste keer trok mijn teamgenoot Udo Schütz – die had handen als kolenscheppen – de versnellingsbak uit elkaar. Hard rijden kon hij wel, maar hij maakte de boel stuk. De tweede keer, op Sebring, reed Rolf Stommelen op een haas. Die stak ineens de weg over. Door de klap was de stuurinrichting krom en kon Rolf niet verder met onze auto.”

De mooie kans om zich bij de fabriek te bewijzen als toekomstige ster, draaide op niets uit. Gijs van Lennep keerde terug in de gelederen van het Racing Team Holland. Met Ben Pon zou hij deelnemen aan de Grand Prix van Spa, een race over duizend kilometer voor sportwagens en Gran Turismo-auto’s op het levensgevaarlijke wegcircuit van Francorchamps in de Waalse Ardennen. Het tracé was iets meer dan veertien kilometer lang en liep over openbare wegen, langs huizen, weilanden, bossen en pal langs de weg liggende stapels bomen. Het geringste foutje werd wreed afgestraft. Van vangrails was geen sprake en de snelheden waren adembenemend hoog.

De wedstrijd werd zondag 1 mei verreden. Zo ver kwam het niet voor de Nederlanders. Vijf minuten voor het einde van de laatste training op zaterdagmiddag liet Gijs een kleinigheid aan de auto veranderen. „In de racerij was ik een Pietje precies. Ik stelde voor om de achterstabilisator een half centimetertje naar achteren te zetten. Dat maakte het weggedrag van de auto iets rustiger door die hele snelle bochten. Dan was het makkelijker rijden. We moesten immers duizend kilometer afleggen.”

Monteur Oudewortel ging vlot aan de slag en Gijs mocht nog één ronde rijden van Ben om de zaak te proberen. Niemand wist dat een van de klemmen waarmee de motorkap aan het dak was bevestigd, in de haast niet goed was vastgezet.

Van Lennep reed zoals hij gewend was en gebruikte optimaal de mogelijkheden van de Porsche 906. Na een paar kilometer ging het mis. „In een soort S-bocht schakelde ik telkens van vier naar vijf. Dat zal ik toen ook wel hebben gedaan, maar ik weet er niets meer van.”

Juist op die plaats schoot achter de rug van Gijs de motorkap, die ‘verkeerd om’ scharnierde, plotseling los en kwam de rijwind er onder. Zonder die kap was er geen druk op de achterwielen en geen grip. Van Lennep schoof van de weg en kwam in het lager gelegen weiland terecht waar de ongecontroleerde rit zich voortzette. Gekanteld schoot de Porsche tussen twee bomen door; op één daarvan zaten sporen oranje verf. De coureur was toen al uit de auto geslingerd.

„Veiligheidsgordels droeg je nog niet in die tijd. De cockpit was redelijk intact, maar achteraf denk ik dat ik blij mag zijn dat ik er uit ben gevallen.”

Hij aarzelt.

„Ik ben gek op riemen, maar je weet niet wat er had kunnen gebeuren. Er komen geweldige krachten vrij bij zo’n klap waarbij ik eigenlijk hartstikke dood had moeten zijn. Ik had het geluk dat ik goed terecht kwam en mijn nek niet heb gebroken.”

Het enige lichamelijk ongemak was een gebroken middenhandsbeentje in zijn linker wijsvinger; zijn ogen zaten vol modder en zand. Van de crash herinnert Gijs zich niets. „Alles heb ik van horen zeggen. Daardoor weet ik dat ik mijn schoenen en mijn broek verloor. Ik droeg zo’n lichtblauwe, tweedelige raceoverall. De mode van die tijd.”

In de pits van het Nederlandse team was het onrustig omdat de auto wegbleef. Ben Pon en de zijnen gingen na het openstellen van het circuit zo snel mogelijk naar de plaats van het ongeval. Jenny, de verloofde van Gijs, en Ingrid, Pons vrouw, zaten nietsvermoedend op de tribune.

Jenny: „Ik bemoeide me nooit met rondetijden en dergelijke. Wij zaten aan de overkant, maar toen iedereen weg stoof, wisten we dat er iets mis was.” Gijs: „Ik was in shocktoestand, maar vertelde Ben dat ik mijn horloge kwijt was. Een dierbare herinnering want ik kreeg hem van Jenny bij onze verloving. Ben volgde het spoor van de auto door het weiland en vond hem terug. Ik heb hem nog.”

In het ziekenhuis, waar zijn hand was gespalkt, spookte zijn carrière door een verwarde geest. „Ik schijn te hebben gezegd dat ik nooit meer zou racen. En even later dat ik morgen een Formule 1-auto ging kopen. Tegen Jenny zei ik dat er niets aan de hand was, dat ik zeep in mijn ogen had omdat ik was uitgegleden in bad. Dat kwam natuurlijk doordat mijn ogen waren schoongemaakt. De modder zat in mijn oogholtes.”

Van Lennep was enkele maanden uitgeschakeld. In Nederland bleek dat zijn hand niet goed was gezet en moest hij weer in het gips. „Verloor ik veel tijd door. Inmiddels had ik een contract met DAF op zak voor de Formule 3. Van het Racing Team Holland kreeg hij een gouden kans om op Zandvoort, voor eigen publiek, in de Formule 2 te rijden, een klasse met veel toppers.”

Hij praat er niet graag over. „Mijn slechtste race ooit. Kennelijk had dat met die klap te maken. Ik reed in een winnende auto en werd achtste. Het was de Brabham van Rindt, een topauto. Daar moest je mee kunnen winnen. Als je pech had, kwam je bij de eerste drie.”

Niettemin kende de carrière van Gijs daarna talrijke hoogtepunten. Hij won tweemaal de 24-uursrace van Le Mans (1971 en 1976, beide keren met Porsche), zegevierde in de legendarische Targa Florio wegrace op Sicilië (1973, ook met het Duitse merk), werd Europees kampioen Formule 5000 (1972) en kreeg in Nederland de eretitel coureur van de eeuw.

„Mooie dingen, maar niet wat ik wilde”, zegt Van Lennep. „Wereldkampioen worden. Daarom zeg ik dat de Formule 1 voor mij is mislukt. Of het er had ingezeten, dat weet ik niet. Tweemaal werd ik zesde, maar ik had nooit een goede auto. Reed altijd met oude spullen. Je weet nooit hoe het was gelopen. Ben Pon meende dat ondanks mijn best wel leuke carrière, het ongeluk mij zo’n klap gaf dat ik daardoor niet in een Formule 1-topteam kwam.”

Van Lenneps analyse is helder: „Ik reed erg gemakkelijk, met veel gevoel. Het was na Francorchamps echter niet meer van dat dolle dwaze. Als je toen een goede Formule 1-coureur wilde worden, moest je de wil hebben om je dood te rijden. Zo was het nu eenmaal. Ach, hoeveel gingen er niet in die tijd? Ik ben een blij mens. Ik ben er nog.”