Nooit meer Luik voor de familie Boogerd

Michael Boogerd, bezig aan zijn laatste seizoen, werd gisteren zesde in zijn twaalfde en laatste Luik-Bastenaken-Luik. Zij familie beleefde het langs de kant jarenlang intenser dan wie dan ook.

Luik, 30 april. - Niemand hoeft te twijfelen aan de motivatie van haar zoon in zijn laatste jaar als profwielrenner, zegt moeder Ria Boogerd een half uur voor de start van Luik-Bastenaken-Luik. „Ik had hem net nog aan de telefoon. Dan moet je nooit veel zeggen. Wat je zegt is toch verkeerd. Hij is net zo fanatiek als andere jaren.”

Die ochtend zijn de ouders van Michael Boogerd al vóór zessen vertrokken uit de Haagse wijk Ypenburg, samen met broer Rini en diens zoontje Levin. Bij het laatste tankstation voor de Belgische grens zijn Boogerds vrouw Nerena en zoontje Mikai opgepikt. Nu staan ze bij de bus van de Raboploeg, op de zonovergoten Place Saint-Lambert in Luik. Schoonmoeder en -zus completeren de fanclub.

Bijna alle jaren zijn ze erbij geweest, als Boogerd weer probeerde zijn favoriete klassieker te winnen. „Alleen de eerste keer waren we er niet”, zegt Ria Boogerd. „Ik werd vijftig, toen zaten we in de regen en kou op Cyprus. Mike viel dat jaar uit, hij was niet lekker.”

Vanaf 1998 rijdt de regerend nationaal kampioen elk jaar vooraan. „Veel mensen hebben niet in de gaten hoe bijzonder dat is”, zegt vader Rien. „Wielrennen is altijd weer knokken voor je plekkie, zoals ik dat zelf vroeger in de Haagse Schilderswijk ook moest. In Luik blijven altijd de sterksten over.” De mooiste in al die jaren? „Zonder twijfel 1999. Toen reed hij in de finale iedereen eraf op Saint-Nicolas. Alleen kwam Vandenbroucke ineens voorbij speren. Tweede. Nou ja, het zij zo.”

Plotseling draait de deur van de bus open en komt een glunderende Boogerd naar buiten. Even iedereen gedag zeggen, kort interviewtje voor de VRT, kus voor Nerena en de bijna driejarige Mikai, die net als papa een rood-wit-blauwe trui draagt. Dan is-ie vertrokken, voor de laatste poging om de zwaarste klassieker op z’n naam te schrijven.

„De laatste keer”, mijmert Rien Boogerd. „Ja, voor ons gaat er hierna wel wat veranderen. Nooit meer naar Luik, straks nooit meer naar de koers. Terwijl we al vanaf de jeugdjaren altijd met de jongens naar het wielrennen zijn gegaan.” Zijn vrouw zegt dat ze het nog niet zo beseft. „Je beleeft het nog zo intens. Vanaf de jeugd staat alles in het teken van wielrennen. Je weet niet beter.”

Emotioneel is de familie nog niet. „Alleen een moment vlak nadat Mike zijn afscheid had aangekondigd”, zegt zijn moeder. „Ik zat in de auto toen hij opbelde. Toen schoot ik ineens vol. Michael schrok er enorm van, hij dacht dat ik een ongeluk kreeg. ‘Nooit meer doen hoor mam’, zei hij.”

Intussen valt het startschot en loopt de familie naar de auto om te gaan kijken onderweg. „Niet dat je veel ziet hoor”, zegt Rien Boogerd. „De laatste jaren is het koersverloop voorspelbaar. Er gaat een groepje lopen, op de Redoute zie je even de toppers, maar daarna komt een grote groep terug. Wat ik veel mooier vond: zoals Hinault in 1980 de hele boel aan gort reed.”

Op de hoek voor de laatste rechte lijn naar de finish in Ans staat een groot tv-scherm. Een klein uur voor het einde van de wedstrijd komt de familie Boogerd aanrijden. Moeder haalt snel ijsjes voor de vrouwen en kinderen, vader draait een shaggie. Hij heeft het koersverloop perfect voorspeld.

„Toen we net op de Stockeu stonden, had de kopgroep nog dertien minuten”, zegt broer Rini, die de renners sneller herkent dan menig commentator. „Nu zijn ze al ingelopen.” Zijn vader vertelt over onderweg. „Michael reed makkelijk. Heel makkelijk.” Rini: „Maar er reden er nog meer heel makkelijk, pa.”

Op het scherm ontrolt zich de spannende finale. Boogerd is zelden weg uit de eerste tien. De Duitser Schumacher valt aan. „Sterke gozer”, klinkt het complimenteus. Op de laatste heuvel van de dag, de Saint-Nicolas, komt de groep-Boogerd snel terug. „Mike zit op de eerste rij”, roept zijn vader, snel een volgend shaggie draaiend.

Wereldkampioen Bettini demarreert. „Valverde, Rebellin, Di Luca”, ziet Rini. „Mike gaat mee.” Dan, vlak voor de top, valt Bettini stil. „Nou moet-ie gaan”, schreeuwen Rien en Rini in koor. Boogerd wacht en gaat pas later, de rest meteen in zijn wiel. „Kappen maar jongen”, zegt z’n vader. „Je weet natuurlijk niet hoe zijn benen voelen”, zegt Rini.

De hele familie loopt naar de dranghekken om met eigen ogen de laatste meters te zien. Alleen Rien Boogerd kiest voor het overzicht van het tv-scherm. „Zesde, niet slecht voor zijn oude dag”, becommentarieert hij de laatste uitslag van zijn zoon in Luik. Daar kunnen de anderen zich in vinden. Vrouw Nerena kijkt even stil voor zich uit. „Ja, nu voel ik toch wel een brok in m’n keel. Dit ga je niet meer zien. Ik zal hier nooit meer schreeuwend over het hek hangen.” Ria Boogerd wijst op de huldiging van winnaar Di Luca. „Kijk Levin”, zegt ze tegen haar kleinzoon. „Als je hard gaat trainen, win je later ook zo’n grote beker.”

Voordat ze teruglopen naar de auto volgt een opsomming van Boogerds unieke reeks van topklasseringen. „Winnen moet-ie straks maar doen in Lombardije”, zegt Rini. „Of twee Touretappes”, lacht z’n vader. „Wat er verder ook gebeurt, het is zo al mooi genoeg”, zegt z’n moeder.