Muren in Irak zijn fundamenteel fout

In de VS is de discussie ontbrand over de vraag wel of niet weggaan uit Irak. Een ommuurde vesting in een stad staat haaks op de vrijheid die de VS er wilden brengen. Toch zullen de troepen er blijven, meent Roger Cohen.

Als een oude neoconservatieve pleitbezorger van de machtswisseling in Irak in één zin samenvat wat de grootste Amerikaanse vergissing was bij de afzetting van Saddam Hussein, is dat de aandacht waard.

Dit geldt zeker voor een recente uitspraak van Richard Perle, oud-voorzitter van de Raad voor het Defensiebeleid van president George W. Bush. Hij zei tegen CNN: „De grootste fout was om na de val van Bagdad niet meteen het politiek gezag aan de Irakezen over te dragen.”

Eindelijk! Als de Amerikaanse blunders in Irak worden opgesomd, staan hoog op de lijst meestal het onvermogen om na de inval een eind aan de grootscheepse plunderingen te maken, de ontbinding van het Iraakse leger en de algehele verwijdering van leden van de Ba’ath-partij uit gezaghebbende posities. Maar deze fouten verbleken bij de installatie van een moderne onderkoning die de ‘bezettingsmacht’ vertegenwoordigde.

Tal van invloedrijke mensen, onder wie de Amerikaanse oud-ambassadeur in Bagdad Zalmay Khalilzad, drongen aan op de onmiddellijke vorming van een Iraakse regering. Die regering zou geen democratische legitimiteit hebben bezeten; die zou grotendeels hebben bestaan uit Irakezen die door Saddam waren verbannen, die zou omstreden zijn geweest. Maar die regering zou wél Iraaks zijn geweest.

In plaats daarvan installeerde Bush op 6 mei 2003 L. Paul Bremer als zijn stadhouder in Bagdad, en we weten hoe dat afliep. Zodra hij daar was, moesten de Verenigde Staten hem en zijn helpers beschermen, en wel door middel van de bouw van betonnen muren om de ‘Groene Zone’ die hem in staat stelden te opereren in een schijn-Irak dat geen Irak was.

Hoe meer ik heb nagedacht over die Groene Zone, een soort verzonnen Irak van 10 vierkante kilometer, met boulevards in palmenschaduw en ordelijk verkeer en democratische instellingen die weinig in te brengen hebben in de chaos buiten de muren, hoe meer ze mij representatief lijkt voor de Amerikaanse tijdgeest. Wie er binnengaat, stapt van de Iraakse bende in de betrekkelijke veiligheid van Amerika-in-Mesopotamië en moet dus ook, zoals bij de overgang van het ene land naar het andere past, papieren laten zien, bezittingen laten inspecteren, vragen beantwoorden.

Die vragen worden steeds opnieuw gesteld, zoals op Amerikaanse luchthavens na 11 september 2001, in een ritueel dat neerkomt op vernedering. Vernedering is een voorwaarde voor toelating. Je moet onomstotelijk bewijzen dat je geen vijand bent. Je wordt geacht schuldig te zijn tot het tegendeel is bewezen.

Dit omgekeerde ritueel, waarin de onschuld als uitgangspunt verloren is gegaan, tekent het Amerikaanse onbehagen. De Verenigde Staten hebben nog nooit zo met beide benen in de wereld gestaan als nu, economisch of cultureel, militair of politiek. Maar het is daar verre van prettig, en al helemaal niet sinds 11 september 2001. Ze kijken daar anders tegen bedreigingen aan, gaan anders naar de kerk, kijken anders naar sport, denken anders – en niet alleen over de relatieve waarde van oorlog en vrede. Voor veel Amerikanen is oorlog heroïsch. Voor de meeste Europeanen is vrede waardevoller.

Eén mogelijke reactie is dat de Verenigde Staten zich verschansen achter techniek en militaire logistiek en muren, en dat ze een schijnwerkelijkheid bouwen waaruit het geven en nemen van de werkelijkheid is verwijderd. De Groene Zone is zo’n plek. Ze biedt een bepaalde veiligheid, maar is ook verontrustend voor een verwarde wereld. Ze is onverenigbaar met elke uiteindelijke Iraakse stabiliteit.

Muren die eenmaal zijn geïnstalleerd hebben de neiging zich te vermenigvuldigen. De eerste bepaalde de grens tussen bezetter en bezette, of bezetter en geïmporteerde jihadisten. Maar dat was nog maar het begin van dat wat Bremerland in beweging heeft gezet.

De logica vereiste dat een anti-koloniale oorlog te midden van een sociale revolutie waarbij de lang onderdrukte shi’ieten de macht overnamen van de lang overheersende sunnieten, de weg voor een sektarische oorlog vrij zou maken. En zo ging het ook. En in de laatste fase van deze strijd hebben we muren zien verrijzen tussen sunnieten en shi’ieten, met name in de wijk Adhamiya in Bagdad, een sunnitische enclave begrensd door shi’itische wijken.

En zo leiden democratie en openheid tot afsluiting en barrières, omdat Amerika als symbool van het democratische bestuur en de vrijheid die het Irak wil brengen een ommuurde vesting in een stad bouwt.

Hoe kan het best gereageerd worden, in dit late stadium, op zo’n fundamentele fout? De Democraten willen een tijdschema voor de terugtrekking opstellen, waarbij vanaf 1 oktober het merendeel van de gevechtstroepen binnen zes maanden zal vertrekken. Het Witte Huis noemt dit ‘defaitisme’, ingegeven door politieke berekening. De Democratische poging om in een wetsvoorstel tot de uitgave van 124 miljard dollar het begin van een terugtrekking op te nemen, lijkt in die zin een juiste politiek dat een duidelijke meerderheid van de Amerikanen inmiddels voor een vertrek uit Irak is. Maar het praktische effect van deze maatregel is beperkt, omdat Bush er zeker zijn veto over zal uitspreken en de Democraten getalsmatig niet in staat zijn een veto ongedaan te maken.

Volgens Bush zal een tijdschema de troepen demoraliseren, de vijand een stimulans geven en de tegenstanders van Amerika in staat stellen hun acties af te stemmen op de wetenschap dat de Amerikaanse terugtrekking nabij is. De logica van Bush is op dit punt moeilijk te weerleggen. Maar wie van mening is dat Irak na zoveel geknoei hoe dan ook verloren is, zal dit nauwelijks iets kunnen schelen. In wezen is dit de opvatting van veel Amerikanen.

Generaal David Petraeus, de hoogste Amerikaanse bevelhebber in Irak, is een andere mening toegedaan. Zoals hij deze week beklemtoonde, zal Irak nog een ‘enorme inzet’ en ‘nog wel enkele jaren’ de aanwezigheid van troepen blijven vergen. Ook zei hij nog: „Deze operatie zou weleens moeilijker kunnen worden voordat zij makkelijker wordt.”

Dit zijn geen verrassende woorden als Irak wordt gezien als een wezenlijke poging van de Verenigde Staten om de geschiedenis van het Midden-Oosten een nieuwe kant op te sturen, weg van de tirannie van de politiestaat.

Omdat ik geloof dat de Amerikaanse macht, ondanks fouten, de afgelopen eeuw per saldo heeft geleid tot een vrijer, opener, verantwoordelijker en bevredigender wereld, ben ik geneigd eerder af te gaan op Petraeus dan op de Democraten in het Huis van Afgevaardigden.

Roger Cohen is columnist van de New York Times. © New York Times