Gelukkig

De trein van Praag naar Marienbad doet er drie uur over. Dat is lang voor 170 kilometer, maar het is dan ook een versleten, ex-communistische trein.

Geeft niets, want er valt buiten genoeg te zien. Er doemen geheimzinnige plaatsnamen op als Zbiroh, Rokycany, Kozolupy en Pavlovice. De natuur wordt buiten Praag snel sappig groen met koolzaadvelden die zo diepgeel zijn dat ze geschilderd lijken door een euforische kunstenaar. Het is opeens hartje zomer, ook hier in Bohemen.

Ik wil naar Marienbad omdat Franz Kafka er ooit gelukkige dagen heeft doorgebracht. Dat gebeurde hem niet zo vaak, gelukkige dagen. Er moet toen wel iets heel bijzonders met hem aan de hand zijn geweest. Kafka verbleef van 2 tot 24 juli 1916 in Marienbad en de eerste tien dagen bracht hij samen met zijn vriendin Felice Bauer door. Hij had al één keer een verloving met haar verbroken.

Felice kwam hem zelf van de trein halen. „Heel lief”, vond Kafka. De eerste dagen verliepen moeizaam, ook al vierde hij op 3 juli zijn 33ste verjaardag. „Arme F. Ongelukkige nacht”, noteerde hij in zijn dagboek. „Onmogelijk met F. te leven. Onverdraaglijkheid van het samenleven met wie dan ook. Betreur dit niet, betreur de onmogelijkheid niet alleen te zijn.”

Ze hadden hun intrek genomen in Hotel Schloß Balmoral und Osborne. Kafka vond het ‘onbeschrijfelijk mooi’ in Marienbad, maar de nabijheid van een dierbare geliefde leek weer eens te benauwend voor hem. Opeens, na een uitstapje naar een naburige stad, sloeg zijn stemming om. Hij bracht vijf gelukkige dagen met Felice door en aan het einde daarvan schreef hij samen met haar in een enthousiaste brief aan haar moeder: „Felice en ik (…) hebben ingezien dat wij jaren geleden de zaak verkeerd hebben aangepakt.”

Marienbad heeft vaker hartstochtelijke gevoelens bij befaamde kunstenaars opgeroepen. Ik herinner aan Chopin en, vooral, aan Goethe, die als 73-jarige bijna een 19-jarige schone had veroverd als haar moeder geen bezwaren had gehad.

Marienbad (Mariánské Lázne in het Tsjechisch) was vooral in de tweede helft van de negentiende eeuw een geliefd Kurort bij een mondiale elite. Zovele jaren later loop ik er een beetje verbaasd rond te midden van de vooral oudere echtparen. ‘Onbeschrijfelijk mooi’ kan ik het er niet vinden. Er staan  nog altijd knotsen van hotels in neoclassicistische slagroomtaartstijl en er loopt een redelijk welvarend publiek rond. Maar welk lid van de huidige artistieke en politieke elite zou vrijwillig één dag in dit doodsaaie oord willen doorbrengen?

Intussen zoek ik me suf naar het hotel van Kafka en Felice. Een oude foto uit een boek levert bij bewoners aanvankelijk weinig herkenning op. Zou het inmiddels zijn afgebroken? Maar goddank rijst het, vlak achter het Stadttheater, opeens voor me op. Het is gerenoveerd en minder imposant dan op de foto, maar ik herken het meteen. Het bestaat nog steeds uit twee hoge gebouwen, verbonden door een lage entree. De gebouwen hebben hun naam van vroeger behouden: ‘Balmoral’ en ‘Osborne’. De directrice vertelt me dat er tijdelijk buitenlandse studenten in gehuisvest zijn, pas in het hoogseizoen kunnen er weer toeristen terecht.

Ik kijk om me heen. Dus hier was Kafka gelukkig. Vijf dagen. Daarna mocht Felice weer wanhopen.