Fluitende gouden zonnegeluiden

Het voorjaar weet van gekkigheid niet wat het zal doen, je verbeeldt je bijna kleine plofjes te horen waarmee de bloemknoppen openspringen, zo hard gaat het, zo veel, zo weelderig. „Fluitende gouden zonnegeluiden”, zoals Herman Gorter schreef, „En ’t lijkt of ze nu wel overal zijn,/ de wereld is vol met een geelen goudwijn”.

Hoe dat straks moet in juni? Dan is alles alweer voorbij. Maar nu waait bloesemgeur onze neus in, de zon lacht op slootjes en grachten, bomen staan lichtgroen te pronken en alles en alles zegt de hele dag door almaar: we leven. Dit is het. Geniet ervan. En hoewel in sommige opzichten in het geheel niet in de stemming om te genieten, geniet ik toch. Het leven zelf staat te beweren dat het de moeite waard is, en je gelooft het.

De schrijver Alfred Kossmann zei ooit dat hij de levenswil afschuwelijk en angstaanjagend vond. Hij had gelezen over een man die ze gemarteld hadden, zijn oor afgesneden, hem gedwongen om dat oor zelf op te eten. En hij had het gedaan. Omdat hij wilde leven. Zó sterk willen we dat, dat we bereid zijn heel weerzinwekkende dingen te doen. Kossmann maakte zich geen illusies, hij zei niet dat hij zo niet zou zijn. Juist wel, in ieder van ons huist die angstaanjagende wil.

Die meteen maakt dat we zo hevig van het leven kunnen genieten. Bijna buiten onszelf om. De levensvreugde lijkt wel een kracht die zich onafhankelijk van je wil of je gevoel door je heen boort.

Het moet ook iets met onze levenswil en levensvreugde te maken hebben dat we afscheid nemen van de doden. Ook mensen die niets moeten hebben van religie, zingeving, wat ook – ze zeggen toch niet: voorbij, zo gaat het nu eenmaal. Ze stoppen de lichamen van hun dierbaren niet in een vuilniszak en geven die mee aan de ophaaldienst voor de verbrandingsoven. Nee. Ze komen in een donker pak naar een zaaltje en ze vertellen elkaar over de overledene, ze toveren hem ons nog één keer voor ogen, ze roepen iets van de stemming op waarin hij ze bracht, de vreugde en de rarigheden die ze met hem beleefden. Ze voeren rituelen op en noemen het afscheid nemen, rouwen, laatste eer bewijzen.

Kreeg laatst een heel mooi kort filmpje, van Barbara Meter en Wim Oudshoorn, zo’n twintig minuten, het heet ‘Of je het gelooft of niet’ en gaat over de ‘proskinitaria’, de aandachtshuisjes die in Griekenland overal langs de wegen staan. Zichtbare rituelen. Ze zien er vaak uit als mini-kapelletjes, soms van steen, soms meer als een lantaarn op pootjes van ijzer. Ze staan langs verlaten paden en drukke wegen, sommige zijn nieuw, andere al heel oud.

Proskinitaria worden opgericht ter nagedachtenis aan iemand, niet per se iemand die daar verongelukt is, het kan ook om een zoon gaan die niet terugkwam van zee, een meisje dat van een rots gesprongen is, iemand van wie veel gehouden is, en gewijd aan een heilige. Je ziet vrouwen zulke huisjes schoonmaken, bijschilderen, van verse bloemen voorzien. Er staat een stenen huisje ergens op een kruispunt waar het langzaam donker wordt, binnenin licht het vlammetje van het olielampje op. Prachtig.

Je zou zelf wel zo’n aandachtshuisje willen neerzetten voor iemand die er niet meer is, een mooie plaats uitzoeken, een lampje brandend houden, desnoods zo’n heilige erbij. En dan hopen dat later, als je zelf dat lampje niet meer kunt laten branden, er anderen komen, die het huisje blijven verzorgen, desnoods een beetje onverschillig, dat geeft niet. Liefst zou het ergens staan waar het mooi is, waar je ogen opleven.

Een vriend zei laatst dat hij steeds sterker bij alles wat hij zag dacht aan de dood. Aan dat hij het ooit níet meer zou zien. Dat het toch erger was als je liefste dood ging dan als je zelf stierf, zei ik. Nee, zei hij, ik bedoel niet mezélf, ik bedoel de onverdraaglijke gedachte dat mijn ogen nooit meer de zee zullen zien blinken vanaf een Grieks eiland, dat ik nooit meer een ijsvogel zal zien wegschieten als een blauwe flits.

Dacht erover na. In zo’n voorjaar als dit zijn het je zintuigen die maken dat je je voelt leven, bijna alsof je nu eens even verlost zou kunnen zijn van je bewustzijn, je denkende hoofd. Herlas het gedicht van Zbigniew Herbert waarin hij zich voorstelt dat hij dood is en een kandidaat voor het paradijs zou zijn en daarom onderworpen wordt aan ‘een cursus uitroeien aardse gewoontes’ waarbij ook het laatste restje zintuig zou worden verdelgd. Hij zal „felle tegenstand bieden”.

Sommige zintuigen zal hij wel willen inleveren, hij hield toch al van stilte, gaf toch al niet buitensporig om eten. „De strenge engelen/ zal hij alleen duidelijk maken/ dat het gezicht en de tast/ hem niet willen verlaten (…) dat hij nog altijd/ de den op de berghelling ziet/ de zeven luchters van de metten/ de steen met de blauwe aders”. Hij is ongeschikt voor het paradijs. Hij wil zien, hij wil voelen.

Kijk naar buiten. De lucht is blauw achter de bloeiende kastanje, een merel hipt snel over het gras, schaduwen wuiven over de madeliefjes. Dit zien. Gedenken wie het niet meer ziet, met olielampjes, heiligen, rituele gebaren en bewegingen, omdat ze leefden, keken en nu niet meer. Zij zien en horen niet wat wij tot onze onuitsprekelijke vreugde wel zien, horen, voelen: „meisjesmondjes blazen gouden fluitjes,/ gelipte mondjes lachen goudgeluidjes,/ lachmuntjes kletterend op dit marmer, / ik zit en warm m’ er.”