Een feestelijke week (1)

Alles wijst erop dat we aan het begin staan van een feestelijke week.

De Koningin is jarig. Straks zal ze ongedwongen rondgaan langs koekhappers in ’s-Hertogenbosch en mond- en voetschilders in Woudrichem, en de koekhappers zullen niet minder verguld naar haar kijken dan de mond- en voetschilders.

April brak alle records op het gebied van warmte en droogte. In mei zal zich waarschijnlijk de vroegste hittegolf sinds het begin van de waarnemingen in De Bilt voordoen. In juni is de kans dat je aan het klimaat sterft mogelijk al groter dan dat je in een ziekenhuis overlijdt aan een vergissing van de dokter.

En nu we het toch over de dood hebben – het mooiste van alles is natuurlijk het nieuws dat paus Benedictus XVI besloten heeft het voorgeborchte af te schaffen.

Wist u dat dat nog bestond?

Ik zag daar vingers omhooggaan om eerst even te vragen wat het eigenlijk is, of nu dus eigenlijk meer was.

Vroeger, ik geloof onder Gregorius I (590-604), is er in de Kerk lang gedelibereerd over de vraag wat er zou zijn gebeurd met brave zielen die de pech hadden gehad dat ze dood gingen toen Jezus nog moest worden geboren. Moet je je voorstellen. Je bent altijd een goed mens geweest, je sterft in het jaar nul op wat wij nu Eerste Paasdag noemen, en je hebt je laatste adem nog niet uitgeblazen, of de Heer blijkt waarlijk opgestaan.

Dat is wel heel zuur. Mocht zo iemand naar de hemel? Nee, want hij had de heilsboodschap van Jezus Christus net niet kunnen horen. Dan maar de hel? Dat zou natuurlijk te gek zijn geweest. Geen vlieg ooit kwaad gedaan, en alleen vanwege stom toeval toch eeuwig moeten branden?

Voor die wanboffers, en ook voor pasgeboren baby’s die nog niet hadden kunnen zondigen, want vóór de doop overleden, bedacht de paus in 593 dat je in de hemel, die toch redelijk groot is, een wachtkamer kon inrichten waar zulke dode gevallen konden worden geparkeerd tot op de Dag des Oordeels alsnog werd besloten hoe het verder met ze moest.

Slim!

Gregorius schoof de boel in feite wel een beetje (maar voor hoe lang precies?) voor zich uit, maar de betrokkenen hadden geen klagen, ze werden nergens voor gestraft, laat staan gemarteld, ze genoten alle privileges van de hemeling. De enige restrictie was dat ze God nog niet mochten aanschouwen. Maar daar viel tijdelijk misschien wel mee te leven.

Hoeveel mensen zouden er op aarde zijn geweest vóór de komst van Jezus? Miljarden, denk ik. Dus je kunt moeilijk over een kleine minderheid spreken. Eigenlijk beleefden we hier toentertijd de gloriedagen van de internationale verdraagzaamheid. In één klap kregen Mesopotamiërs, Egyptenaren, Chinezen, Grieken en al die andere heidenen een christelijke herkansing.

Prachtige religie. Ik blader nog weleens in het deeltje Katholieke Geloofsleer dat ik als jongetje kocht om beter de dialoog te kunnen aangaan met een buurmeisje van wie ik ’s nachts heftig droomde. En altijd blijf ik dan in het hoofdstukje De Hemel even nagenieten van dit zinnetje:

„Waar de hemel, die de verblijfplaats is van alle Zaligen, zich bevindt, is ons niet met zekerheid bekend.”

Ze hadden dus wel een sterk vermoeden, de papen. Maar ze durfden er nog geen vergif op in te nemen.

In Nederland schijnen ze met het geloof in een voorgeborchte al een poosje enigszins de hand te hebben gelicht. Maar afspraak was afspraak, dus ongedoopte dode kindertjes werden vroeger in ongewijde grond begraven. „Dat heeft nabestaanden veel verdriet bezorgd”, erkende kardinaal Simonis. „Maar de ongewijde grond kan alsnog gewijd worden.”

Een feestelijke week!

Jan Blokker