De paradepaardjes van Tony Blair

Sinds het aantreden van Tony Blair presteren Britse scholieren beter. Maar het is te vroeg voor een oordeel over gesponsorde scholen.

Aan het einde van de lessen zwaaien de deuren van de Capital City Academy in het noordwesten van Londen open. Een bonte stoet bruine, zwarte en blanke kinderen stuift naar buiten. Via gangen met chique blauw tapijt en langs klassen die uitpuilen van de computers en muziekinstrumenten banen ze zich een weg naar de uitgang van het riante schoolgebouw.

Hier, in de groezelige immigrantenwijk Brent waar criminaliteit en schietpartijen aan de orde van de dag zijn, bevindt zich een van de paradepaardjes van Tony Blair. Al voor zijn aantreden als premier in 1997 had Blair onderwijs uitgeroepen tot hoogste prioriteit met de leus ‘Education, education, education’. Met dit soort nieuwe scholen in achterstandswijken probeerde hij die belofte in te lossen. Niet voor niets opende hij de school in 2004 persoonlijk.

Nieuwe kansen voor achtergebleven kinderen, welke rechtgeaarde sociaal-democraat wil dat niet? Toch zijn er critici, ook binnen Labour, die Blair van willekeur beschuldigen. Ze wijzen erop dat er nog honderden middelbare scholen zijn die verkommeren. De regering kan volgens hen de verbeteringen beter gelijkmatiger over het land verspreiden. Philip O’Hear, hoofd van de Capital City Academy, is het er niet mee eens. „Waarom zouden kinderen in achterstandswijken niet ook naar een goed uitgeruste school mogen?”

Kosten noch moeite zijn gespaard om van deze ‘academy’ iets bijzonders te maken. Het elegante gebouw is ontworpen door de befaamde architect Sir Norman Foster. „De kinderen beseffen niet half hoeveel geluk ze hebben dat ze op deze school zitten”, zegt de conciërge, een veertiger die zelf indertijd scholen bezocht die niet konden tippen aan deze.

Intussen staan er 46 van deze academies in de Britse steden. Ze vervangen wegkwijnende middelbare scholen door moderne, fraai geoutilleerde met gemotiveerde leerkrachten. „We hopen met deze scholen de houding van de kinderen te veranderen, zodat sommigen niet meer aan de drugs of de misdaad raken”, zegt O’Hear. „Als dat lukt, is dat een fantastische nalatenschap van Blair.”

Een doorn in het oog van linkse partijgenoten is echter dat de ‘academies’ meer vrijheid hebben dan ‘gewone’ middelbare scholen in de vaststelling van hun curriculum en in de manier waarop ze geld uitgeven. Bovendien moeten ze beschikken over een sponsor, die de forse investering van de overheid aanvult. Dat kan een zakenman zijn of een maatschappelijke organisatie zoals een kerk.

De meningsverschillen zijn van fundamentele aard. Terwijl Blairs critici een zelfde soort school voor alle leerlingen wensen, meent Blair dat enige concurrentie tussen scholen gezond is. Het kan het niveau helpen opkrikken en biedt ouders meer keuze. Het is nog te vroeg voor een eindoordeel over de ‘city academies’, die overigens aansloten bij ideeën van de Conservatieven. Op de school in Brent zijn de eerste resultaten volgens O’Hear bemoedigend. Maar de prestaties van zijn leerlingen blijven onder het Britse gemiddelde.

Vriend en vijand geven intussen toe dat het onderwijsbeleid van de regering-Blair de afgelopen tien jaar heeft geleid tot een aanzienlijke verbetering van de schoolresultaten. Meer dan vroeger houdt de regering de vinger aan de pols met examens. Ook zijn ranglijsten van scholen gepubliceerd. Er zijn nieuwe scholen gebouwd en tienduizenden extra leerkrachten aangesteld. „Het staat vast dat de reken-, lees- en schrijfvaardigheid van de leerlingen bij het verlaten van de basisscholen is verbeterd”, zegt professor Anne West, onderwijskundige aan de London School of Economics.

Cijfers wijzen uit dat 79 procent van de elfjarigen nu aan de normen voor Engelse taal voldoet, tegen 65 procent tien jaar geleden. Voor rekenen is dat cijfer 76 procent (dat was 60 procent). Ook voor middelbare scholieren zijn de resultaten vooruitgegaan. Nu haalt 58 procent van de kinderen vijf zogeheten GCSE’s (examenvakken) tegen 45 procent in 1997, maar volgens sommige critici is dat slechts te danken aan een verslapping van de normen.

Juist middelbare scholen blijven een probleem. Ondanks Blairs nadruk op keuze kunnen veel ouders in de praktijk weinig kanten op. Kinderen worden meestal door de gemeente op een school geplaatst in de buurt waar ze wonen. Een complicatie is dat sommige goede scholen door kerken worden gedreven. Die mogen selecteren op kerkbezoek. Zo komt het voor dat ouders die niet om de kerk geven plots bij kerkdiensten worden gesignaleerd in de hoop hun kind toegelaten te krijgen. Wie het zich kan veroorloven, koopt een huis in de nabijheid van een goede school.

Vermogenden kunnen hun kinderen ook naar een dure particuliere school sturen. Maar volgens professor West neemt dat laatste – anders dan vaak wordt gesuggereerd – niet toe. „Het aandeel van particulier onderwijs voor vijf- tot zestienjarigen blijft al jaren steken op 7 procent van het totaal.”

En Blairs eigen kinderen? Die gingen naar een goede katholieke school. Niet particulier, niet van de overheid maar er tussenin.