Bevrijdingskind dat geen ruzie kan maken

Els Swaab houdt het midden zonder zelf kleurloos te zijn. Ze is advocate en lid van diverse besturen. Voorzitter van het Nationaal Comité 4 en 5 mei. „Els is een mensenmens. Houdt rekening met anderen.”

Neem de top-30 machtigste vrouwen in het bedrijfleven. Of de top-200 invloedrijkste Nederlanders. Els Swaab, zestig jaar, geboren in Amsterdam, staat er altijd op. Meestal ergens in het midden. Op nummer 15 (Elite-research) of 59 (De Volkskrant). Een bekende Nederlander is ze niet, ze haalt zelden de tv of de krant, toch komt ze elk jaar ietsje hoger op de lijsten.

Els Swaab is advocaat en bestuurder. Ze is voorzitter van de Raad voor Cultuur (als eerste niet-politicus). Ze is commissaris bij De Nederlandsche Bank (als eerste vrouw). Ze is voorzitter van de Stichting Democratie en Media, de grootaandeelhouder van PCM, uitgever van onder meer NRC Handelsblad en De Volkskrant. Ze loopt dezer dagen naast de koningin, want ze is ook voorzitter van het Nationaal Comité 4 en 5 mei, en moeiteloos is er nog een rits van haar functies op te noemen.

Zelf is Els Swaab niet onder de indruk van de top-zoveel-lijsten. „Het hangt er vanaf welke criteria je hanteert.” Ze vindt het ook niet interessant of ze ergens de eerste en de enige vrouw is. Ze is zo vaak ergens de eerste en de enige geweest. Ze was de eerste vrouwelijke advocaat bij Boekel de Nerée, de eerste vrouwelijke maat en de eerste vrouw die voorzitter van de maatschap werd. Het kantoor groeide toen van 120 naar 350 mensen. Advocaat is ze nog steeds. Ze doet vooral mediations en arbitragezaken, de ‘zakelijke echtscheidingen’. Ze was de eerste vrouwelijke deken van de Amsterdamse Orde van Advocaten.

Tom de Swaan, commissaris bij Ahold en Glaxo, is haar oudste en beste jeugdvriend. Ze kennen elkaar uit klas 1b van het Amsterdams Lyceum. Hij zegt: „Elsje laat zich er nooit op voorstaan dat ze een vrouw is.” Ze staat haar mannetje in een uitgesproken mannenwereld, zegt Caspar Broeksma. Hij zit met haar in het bestuur van de Stichting Democratie en Media. „Boekel de Nerée is vrij vooruitstrevend”, zegt Jacqueline Schaap. Ze was er zelf ook maat. „Dat je vrouw bent, maakt niet uit. Als je maar goed bent en omzet draait.” Zij kwam als stagiaire op kantoor. Els Swaab, vijftien jaar ouder, zat toen al in de maatschap. Elke maandagavond was en is fitnessavond, in het Hiltonhotel. Drie oud-stagiaires en Els Swaab.

Els Swaab houdt van de luwte, zegt ze zelf. Ze wil haar werk doen zonder in de belangstelling te staan. Het liefst thuis, in haar studeerkamer in haar huis aan een Amsterdamse kade. Ze werkt hard en veel. Niet voor het aanzien, het geld of de macht. „Ik heb geleerd: you learn, you earn, you return.” Ze heeft nu de leeftijd, vindt ze, om zich in te spannen voor de samenleving.

Haar oudere broer Dick Swaab (62) is hoogleraar neurowetenschappen. Dick, zegt Els, verklaart alles vanuit de chemie. Dick zegt: „Els heeft een enorme drive.” Die drive is volgens hem een aanboren afwijking in het brein. „Ze móét doen waar ze goed in is. En dat is met mensen werken en organiseren.” Dick Swaab deed onlangs onderzoek naar ‘geslachtelijke differentiatie van het brein’ en de invloed daarvan op onderhandelingen. Of vrouwenhersenen anders onderhandelen dan mannen. „Vrouwen willen oogcontact, ze willen hun medeonderhandelaar kennen, aardig vinden en zelf aardig gevonden worden. Voor mannen kan het net zo goed per mail of fax. Het gaat ze vooral om de informatie.” Vrouwen, zegt hij, hebben een betere verbinding tussen de rechter-en de linkerhersenhelft. „Typisch Els. Els is een mensenmens. Houdt rekening met anderen. Ik weet precies wat ik niet moet zeggen, dus zeg ik het. Els weet het ook precies en zegt het niet. Dat is het verschil. Ze is aardiger dan ik. En slimmer.”

Haar jonger broer Leo (54) is psychoanalytisch therapeut. Hij verklaart, zegt Els Swaab, alles vanuit de emotie. Hij zegt dat zijn zusje „een menselijke carrière” heeft gemaakt. Geen ellebogenwerk, rekening houden met gevoelens van anderen. „Ze is de intermediair, de altruïst. Degene die het oplost voor mensen die elkaar de tent uit vechten. Soms denk ik: meid, pas op dat ze geen misbruik van je maken.” Ze is, zegt hij, agressiegeremd. Maakt nooit ruzie, wordt niet boos, zegt geen nee. „Het is mooi en nobel om alles voor iedereen op te lossen en zo hard te werken. Maar zorg dat je iets terugkrijgt.”

„We komen uit een traditie van leren, leren, leren”, zegt Dick Swaab. Dat komt, zegt vriend Tom de Swaan, omdat wij bevrijdingskinderen zijn. In Els Swaab herkende hij als jongen van twaalf al zichzelf. Allebei geboren in 1946, de kinderen die alles goed moesten maken. „Lanterfanten is er niet bij. Dat geldt voor Els, dat geldt voor mij. Zij werkt misschien ietsje minder gedwongen dan ik. Zij kan op vrijdagmiddag naar Bergen aan Zee vertrekken, naar haar tweede huis. Op vrijdag niet werken, voor mij is dat ondenkbaar.”

Voor onze ouders was het, zegt Tom de Swaan, van het grootste belang dat wij het niet zo slecht zouden hebben als zij. „Dat nam soms obsessieve vormen aan.” Oudere broer Dick herinnert zich dat ze bij hun vader in de spreekkamer werden geroepen als het rapport slecht was. Vader Swaab was gynaecoloog met een praktijk in hun huis aan de Amsterdamse Apollolaan. Recht tegenover waar nu een oorlogsmonument staat. En Els kreeg het rapport eens naar haar hoofd gesmeten. Dick Swaab: „De eerste klas van de lagere school heeft ze overgeslagen. Ik had haar alles al geleerd. Daarna is ze gaan freewheelen. Die dip heeft geduurd tot ze rechten ging studeren. De hbs is ze met een minimum aan inspanning doorgekomen. Huiswerk alleen op zondag, want dat was toch een saaie dag.”

Elke dag als de school uit was, gingen Dick en Els naar hun grootouders. „Om ze op te vrolijken. Ze waren zo verdrietig.” Over dat verdriet werd niet gesproken. De oudste broer, Dick, weet het meest. In zijn laptop bewaart hij de foto’s van vroeger. Zijn vader, Leo Swaab, die in 1942 promoveert in de senaatskamer van het Binnengasthuis. Op zijn rok en dat van de paranimfen een Jodenster. Hij was de op één na laatste Jood die in oorlogstijd promoveerde. De ouders Swaab waren gemengd gehuwd, moeder Swaab was niet Joods. Dat gaf even uitstel van deportatie. Later in de oorlog werden de Duitsers strenger. Dick Swaab: „De directeur van het herseninstituut waar ik zelf directeur ben geweest, gebruikte de Duitse procedures om mijn vader te helpen. Hij stelde een verklaring op dat uit schedelmetingen was gebleken dat Leo Swaab geen Jood kon zijn. Later zei mijn vader altijd dat hij ein gut proportionierter Süd-Arier was.” Toen ook die verklaring niet meer hielp, kocht Els Swaabs grootvader, een huisarts, niet-Joodverklaringen voor het hele gezin. Zoon Juda, zijn vrouw en zijn kind die al in Westerbork zaten, konden er geen krijgen. Die zagen er te Joods uit, vonden de Duitsers. Ze zijn in Sobibor omgekomen.

Dat was het verdriet van Els Swaabs grootouders. Maar als kind heeft ze het nooit geweten. Ze voelde wel de bobbel in het zeil van haar vaders spreekkamer op de eerste verdieping. Daaronder was de ruimte waar hij zich schuil had gehouden. Waar hij, languit liggend met zijn hoofd gedraaid, zijn proefschrift had geschreven over tumoren in de baarmoederhals. Hij lag ook onder de vloer toen zijn vrouw moest bevallen van Dick. Hij at er de boterham die zij, na de bevalling, kreeg als beloning. Het was 1944, de hongerwinter.

Els, zegt haar jongere broer Leo, heeft zich altijd Joodser gevoeld dan wij. Zij ging als tiener naar de sjoel, ging naar Israël om fruit te plukken, was zelfs nog even zioniste. De broers hebben het nooit helemaal begrepen. Maar dat ze om die reden voorzitter werd van het Comité 4 en 5 mei, dat begrepen ze wel.

Els Swaab vindt dat 5 mei een officiële vrije dag moet zijn. „Vroeger stonden we op 4 mei op het balkon. Om twee over acht gingen de deuren dicht en er werd niet meer over gesproken.” Dat zwijgen, het niet praten, de eenzaamheid, dat herinnert Leo Swaab zich. „Vader was een lieve man, maar ook agressiegeremd. En een moeder die ons dooddrukte met liefde.”

Els Swaab: „Als we huilden moesten we naar onze kamer. Mochten we weer terugkomen als we normaal konden doen.” Nooit ruzie. Els Swaab: „Ik heb nooit geleerd hoe dat moet, ruzie maken.” Pas met haar huidige vrouw kan ze het. „Voor het eerst.”

Els Swaab was 25 toen ze rechten ging studeren. Ze was eerst nog tolk-vertaler Engels. Had een eigen bedrijf, Photo-Intermediair heette het, dat fotografen vertegenwoordigde en fotomodellen regelde. Strafrecht lag haar niet, te veel emoties. Het werd privaatrecht. Ze solliciteerde bij Boekel de Nerée. Toen ze vier jaar deken was geweest, zegt ze, wist ze dat ze bestuurder wilde zijn. Advocaat Jacqueline Schaap: „Bij Boekel werd het erg gestimuleerd om in besturen te gaan van culturele instellingen.” Els Swaab zat bij de Mondriaan Stichting en bij Toneelgroep Amsterdam. En zo kwam haar naam op toen er een opvolger werd gezocht voor voormalig minister Winnie Sorgdrager als voorzitter van de Raad voor Cultuur.

Leo Swaab: „Els gruwde vroeger van musea. We gingen met vakantie naar Genua. Mijn vader wilde hele dagen met ons naar het museum. Els lag liever op het strand.” Kees Weeda, secretaris van de Raad, wilde voor ze kwam met haar kennismaken. „Ik kende haar vaag. Ik wist dat ze als advocaat namens culturele instellingen procedures had gevoerd tegen een besluit van de minister.” De raad stelt elke vier jaar een advies op voor de cultuurminister over de verdeling van de subsidies, zo’n 450 miljoen euro. Kees Weeda: „Ik had het beeld van een harde advocaat. Zo een uit een tv-serie. Een vechter.” Hij belde Els Swaab. „Ze zei: ik spreek u wel als ik een besluit heb genomen. En dat antwoord klopte precies met wat hij verwachtte. Toen ze eenmaal voorzitter was, bleek hij zich vergist te hebben. „Ze is een mediator. Krijgt zonder dat je precies weet hoe ze het doet de meest uitgesproken mensen op één lijn. Ze knokt, maar is altijd vriendelijk. Geen kapsones.” Nu moet ze adviezen geven die slecht vallen bij de subsidieontvangers. Caspar Broeksma van de Stichting Democratie en Media. „Sinds Els daar zit hoor je nooit meer wat van de raad. Al haar voorgangers waren politici. Die schoppen stennis, zij niet.”

Els, zegt Jacqueline Schaap, wordt nooit meegenomen in het gekrakeel. Ze is, zegt ze, in het midden zonder zelf kleurloos te zijn. Met Els als voorzitter, zegt Caspar Broeksma, hoeven we nooit te stemmen. „Iedereen die in het bestuur zit van een tennisclub weet dat het vaak anders gaat.” De stichting Democratie en Media was bijna uit PCM gestapt. Broeksma: „PCM wilde van die ouderwetse stichting af.” PCM zocht vermogen en vond dat bij de Britse investeringsmaatschappij Apax. Apax heeft dit jaar zijn aandelen met winst terugverkocht, bijna het volledige PCM-bestuur is, met een bonus, opgestapt. Broeksma: „Nu mag de stichting ineens weer terugkomen bij PCM.” Het is Swaab geweest die die ommezwaai heeft begeleid, zegt hij. „Zij heeft het bestuur van de stichting zover gekregen dat we die omslag accepteerden. Dat was een man nooit gelukt, zegt hij. „Mannen zitten vaster in hun ego.”