‘Als je iets krijgt ben je er juist dolblij mee’

Met geld van de Bankgiroloterij kunnen buitenlandse musea voordelig werk van Nederlandse kunstenaars verwerven. Maar wat betekent dat voor het imago van Nederlandse kunst?

Sandra Smallenburg

Vrijdag zijn in het Gemeentemuseum Den Haag de kunstwerken gepresenteerd die de stichting Dutch Art Works met geld van de Bankgiroloterij heeft aangekocht voor buitenlandse musea. Daar zit een schilderij van Jan Andriesse tussen (Kleurenspectrum van het daglicht, 1997), bestemd voor het Museum Kurhaus in Kleef. Het Castello di Rivoli in Turijn krijgt een filmpje van Marijke van Warmerdam (Roeren in de verte, 2004), waarin te zien is hoe een hand in een kopje koffie roert terwijl op de achtergrond sneeuw naar beneden dwarrelt. Een ander werk van Van Warmerdam, de installatie Take a long break I and II, gaat naar het Horsens Kunstmuseum in Denemarken.

De musea hoefden voor deze aanwinsten weinig te doen. Ze werden benaderd door Rudi Fuchs, oud-directeur van het Stedelijk Museum, die Dutch Art Works adviseert. Hij wees op de mogelijkheid om tegen geringe kosten een Nederlands kunstwerk te bemachtigen. Tien procent moeten zij zelf betalen, de rest wordt bijgelegd. Musea konden vervolgens hun wenslijstje achterlaten bij Fuchs, die contact opnam met de kunstenaars. Volgens dit particuliere initiatief is de sponsoring nodig omdat Nederlandse kunst door buitenlandse musea te vaak over het hoofd wordt gezien. Fuchs: „Tate Modern wilde dolgraag iets van Dumas, maar kiest bij een krap budget toch eerst voor kunstenaars uit eigen land.”

Het is een vorm van kunstsponsoring die zijn gelijke niet kent. Het roept ook vragen op. Want hoe zinvol is het om kunst in de uitverkoop te gooien? En is Nederlandse kunst echt zo slecht vertegenwoordigd in buitenlandse collecties?

Volgens de Mondriaan Stichting, de subsidiegever die namens de overheid mede verantwoordelijk is voor de promotie in het buitenland, valt het met dat laatste alleszins mee. „Uit diverse onderzoeken blijkt dat we voor zo’n klein land onevenredig goed vertegenwoordigd zijn”, zegt directeur Gitta Luiten. Ze juicht alle particuliere initiatieven in principe toe. „Maar de eigen bijdrage van tien procent is wel heel weinig. Als je kwaad wilt, kun je denken dat blijkbaar niemand het werk wil hebben.” De Mondriaan Stichting vraagt daarom bij buitenlandse projecten altijd een investering van minimaal vijftig procent.

Waarom gebruikt Dutch Art Works het jaarlijkse budget van 400.000 euro niet voor de promotie van minder bekend talent. De stichting kocht de afgelopen jaren werken aan van onder meer Jan Dibbets, Toon Verhoef, Robert Zandvliet, Marlene Dumas en Rineke Dijkstra – succesvolle kunstenaars die al goed vertegenwoordigd zijn in het buitenland.

Marijke van Warmerdam begrijpt die vraag. „In de praktijk gaat het allemaal niet zo vanzelfsprekend”, zegt ze. „Het Horsens museum wilde mijn werk toen ze het op de opening zagen al heel graag hebben, maar moest daar toch eerst de middelen voor zoeken. Voor het vinden van financiers is veel volharding nodig. Op zo’n moment kan deze stichting als een katalysator werken.”

Het idee om buitenlandse kunstaankopen te ondersteunen ligt volgens Van Warmerdam in het verlengde van wat de Mondriaan Stichting doet met de subsidiëring van exposities in het buitenland. „Alleen hebben deze aankopen een langere adem. Nederlands cultuurgoed dat in een Deens of Italiaans museum hangt moet na zo’n versnelde financiële ondersteuning voor zichzelf reclame maken. Dat is toch heel anders dan een expositie, die na tien weken weer verdwijnt.”

Maar heeft het niet iets wanhopigs, om kunstwerken bijna weg te geven? „Onzin”, vindt Rudi Fuchs. „We geven niemand iets tegen zijn wil. Het gaat om kunstwerken waar de musea sowieso al interesse in hadden, maar die zij niet konden betalen. Mijn idee is dat als je iets krijgt, je er juist dolblij mee bent.” Hij is alweer druk in de weer met de voorbereiding van nieuwe geschenken. Het SMAK in Gent heeft gevraagd om werken van Rob Birza en Joep Koelewijn, en het Macro Museum in Rome zou dolgraag een Joep van Lieshout hebben.