Zinloos muisgebruik

Medische dierproeven worden vaak slecht gedaan: vaag omschreven labwerk, ongefundeerde conclusies. Dat beperkt het nut. Lucas Wenniger

Tirilazad leek een fantastisch medicijn om de hersenschade na een beroerte te beperken. Muizen mét tirilazad kregen een kwart minder hersenschade dan zonder, nadat onderzoekers ze kunstmatig een beroerte hadden bezorgd door een bloedvaatje naar de hersenen dicht te knijpen.

Bij neurologische tests, zoals balanceren op een draaiende evenwichtsbalk, deden de tirilazad-muizen het ook veel beter. Toen echter mensen met een beroerte het middel kregen, was de sterfte onder hen met een vijfde toegenomen, evenals het aantal neurologische handicaps. De proeven werden gestaakt, het medicijn kwam nooit op de markt.

De dierproeven waren slecht uitgevoerd. De onderzoekers wisten welke muizen behandeld waren en welke niet, waardoor ze niet objectief konden bepalen of het middel een gunstig effect had. Jonge muizen met kunstmatige hersenschade zijn ook helemaal geen goed model voor de meestal oudere mensen die een beroerte krijgen.

Een mens is geen muis. En wie muizen wél met mensen wil vergelijken, moet de vergelijking zorgvuldig opzetten, blijkt uit de tirilazad-ervaring. In een recent artikel in het British Medical Journal (BMJ) laten wetenschappers van de London School of Hygiene and Tropical Medicine zien dat dierstudies veel vaker onzorgvuldig zijn uitgevoerd.

De onderzoekers vergeleken in totaal 228 dierstudies met de uitkomsten van dezelfde behandelingen in mensen. Het ging om zes medicijnen. In de helft van de onderzochte gevallen reageerden de mensen heel anders op de medicatie dan de dieren.

omzichtig

Een begeleidend redactioneel commentaar van de Canadese farmacoloog Daniel Hackam in het BMJ laat er dan ook weinig misverstanden over bestaan: artsen en onderzoekers moeten medicijnen die in dierstudies werken omzichtig op patiënten toepassen.

Hackam deed eerder zelf onderzoek naar veel geciteerde dierstudies (Journal of the American Medical Association, 11 oktober 2006). Daarin schreef hij dat slechts 30 procent van de resultaten in proefdieren ook in mensen werd gevonden. Hackam geeft aan dat dieronderzoekers minder nauwkeurig op hun methodes letten. Door gebrek aan uniforme regels worden ze er ook niet toe gedwongen. Bovendien slagen ze er onvoldoende in de ziekten van mensen in dieren na te bootsen.

Frauke Ohl, hoogleraar proefdierkunde aan de Universiteit Utrecht, deelt de kritiek op de opzet en uitvoering van dierexperimenten.

Bij goed uitgevoerde klinische trials – medicijnexperimenten bij mensen – worden de effecten bekeken door iemand die niet weet of de patiënt behandeld is, of een placebo heeft gekregen. Bij dierstudies gebeurt dit zelden. Ohl: “Het ontbreekt aan een standaardprotocol voor proefdieronderzoek.”

De Britse onderzoekers hadden kritiek op bijna alle 228 proefdierstudies die ze onderzochten. En vaak ging het juist om die protocollen. Een voorbeeld zijn de acht artikelen over het nut van anti-fibrinolytica, middelen die bij operaties het bloedverlies beperken. Alle acht hadden mankementen.

Eén studie vermeldde niet hoeveel dieren er getest waren, een andere trok conclusies over sterfte terwijl er tijdens het onderzoek geen dieren stierven. Geen van de artikelen meldde hoe werd voorkomen dat de onderzoekers wisten of de dieren met het medicijn of met een placebo waren behandeld. Die blindering is altijd een van de vereisten voor een goed experiment. Slechts één studie bevatte voldoende gegevens voor betrouwbare statistiek.

Proefdierhoogleraar Ohl voegt toe dat de procedures van proefdieronderzoek vaak onduidelijk zijn, en moeilijk te controleren aan de hand van het gepubliceerde resultaat. “Wetenschappers zouden alle tussenliggende stappen helemaal moeten publiceren. Een probleem is ook dat de protocollen van de dierexperimentele commissies bijvoorbeeld niet openbaar zijn.”

dierenwelzijn

Onderzoekers moeten zo’n protocol bij een dierexperimentele commissie (DEC) indienen voordat het onderzoek begint. Er zou bij het beoordelen van de DEC-protocollen, zegt Ohl, meer aandacht moeten komen voor de proefopzet, niet alleen voor het dierenwelzijn en de wetenschappelijke noodzaak van het experiment.

Onderzoekers weten volgens Ohl dikwijls te weinig van de dieren. “Er zou een database moeten komen met alle bekende eigenschappen van labdieren. Het maakt bij muizen en ratten bijvoorbeeld veel uit of proeven overdag of ‘s nachts gebeuren, en of ze alleen of met meerdere dieren in een kooi leven.”

Ohl denkt dat er veel kan worden verbeterd door de dierproeven beter op de werkelijkheid in mensen te laten lijken. De meeste dierstudies worden gedaan met jonge dieren waarin door wetenschappers een ziekte wordt opgewekt. In het tirilazad-onderzoek naar het effect op beroertes bleek een opgewekte beroerte bij jonge muizen anders uit te werken dan een spontane beroerte bij oude mensen met bloedvaten die vaak in een slechte conditie zijn. Bovendien hebben veel van die patiënten waarschijnlijk ook andere ziekten zoals suikerziekte. En ze slikken medicijnen zoals plaspillen en aspirine.

Onderzoekers moeten volgens Ohl beseffen dat er een grens is aan de mogelijkheden om mensenziekten in dieren te simuleren: “Hele complexe ziekten zijn in een labmuis gewoonweg niet betrouwbaar na te bootsen.”

Ohl wil de informatie-uitwisseling tussen wetenschappers verbeteren. Zij wijst erop dat wetenschappers vaak alleen positieve resultaten publiceren, terwijl het ook nuttig is om te weten welke medicijnen bij anderen al zijn afgevallen. Dat scheelt proefdieren en dure experimenten.