Voor en na Irak

Tien jaar is Tony Blair deze maand premier van Groot-Brittannië. Eerst was zijn buitenlandse politiek succesvol, maar met de oorlog in Irak verspeelde hij krediet. „In plaats van vrees voor kritiek te tonen, legde Blair plotseling alle tegenwerpingen uitdagend naast zich neer.”

De aanklager staat op. Het gemompel in het knusse Tricycle Theatre in het noorden van Londen verstomt. Zal hij Anthony Charles Lynton Blair, nu tien jaar premier, de nekslag geven? Met stemverheffing trekt de aanklager zijn conclusie: „De oorlog in Irak was zonder enige twijfel onwettig.” De premier wist dat en construeerde daarom een excuus: de massavernietigingswapens van Saddam Hussein.

Geroezemoes in de zaal. De beurt is aan Blairs advocaat. Voor de beschuldiging is geen bewijs, lang niet alle getuigen onderschrijven de bewering dat Blair de informatie over Saddams wapens naar zijn hand zette. Uitdagend besluit hij: „Blair heeft geen vergiffenis nodig.”

Het oordeel is aan de rechter, in dit geval het publiek dat een paar uur lang ademloos heeft zitten kijken naar het toneelstuk Called to account (Ter verantwoording opgeroepen). Het vonnis laten de regisseurs, Richard Norton-Taylor en Nicholas Kent, achterwege. Maar het gegnuif, zo nu en dan, tijdens het betoog van Blairs verdediger, laat niets te raden over.

Irak en Blair, Blair en Irak. Tot verdriet van de Britse premier blijft ‘Irak’ hem achtervolgen, ook nu weer, in de campagne voor de lokale en regionale verkiezingen van 3 mei, de dag na zijn aantreden als premier, tien jaar geleden. De BBC-televisie toonde vorige week een reportage uit Blackpool in het noorden van Engeland, vanouds een bolwerk van Labour. Nee, zei een huisvrouw, die altijd trouw op Labour had gestemd, ditmaal werd het voor haar wat anders. De verslaggever vatte zijn vermoeden bondig samen: „Tony Blair, Irak?” Ja, knikte ze.

De oorlog in Irak is nooit populair geweest in Groot-Brittannië, hoewel ook de oppositionele Conservatieven die steunen. Het rampzalige verloop van de oorlog en het groeiend aantal gesneuvelde Britse militairen zorgen voor malaise, maar fnuikend is het idee van veel Britten dat de premier met zijn verhaal over de massavernietigingswapens hun een rad voor ogen heeft gedraaid. De economie mag het nog zo goed doen, sinds ‘Irak’ is er iets geknakt tussen Tony Blair en de Britse bevolking.

„Je kunt het Blair-tijdperk indelen in twee periodes”, zegt Rosemary Hollis, directeur onderzoek van Chatham House, het Britse instituut voor internationale betrekkingen. „De eerste vijf jaar was Blair op buitenlands politiek terrein buitengewoon succesvol, daarna kwam de klad er in door Irak. De schaduw van Irak hangt nu over alles.”

Ook de voormalige Labour-leider Neil Kinnock meent dat Irak veel bederft. „Het is dramatisch dat de verontwaardiging en zorg over de oorlog zijn staat van dienst, die grotendeels positief en indrukwekkend is, verhullen. Het doet bijna denken aan een Griekse tragedie”, zegt hij in zijn kantoor in Londen.

Blair zelf is zich van geen kwaad bewust. Tot op de dag van vandaag blijft hij er heilig van overtuigd dat het een juiste beslissing was het bewind van Saddam Hussein omver te werpen. Sterke leiders moeten moeilijke beslissingen durven nemen, betoogt hij keer op keer. „ I’m a proud interventionist”, zei hij deze week nog tegen de publicist Timothy Garton Ash. Dit was ook de teneur van een reeks grote toespraken over buitenlands beleid van het afgelopen jaar, tezamen een soort diplomatiek testament.

Zo zette Blair in januari op een marineschip in de haven van Plymouth zijn credo nog eens uiteen. „Het risico hier – en in de Verenigde Staten waar het gevaar voor de toekomst isolationisme is, niet avontuurlijk gedrag – is dat de politici besluiten dat het allemaal te moeilijk is en dat ze het laten bij een passieve terugtocht, dat het juiste handelen bijna ongemerkt verwordt tot het gemakkelijke handelen”, waarschuwde hij. De Britten moeten hard power durven gebruiken, dat wil zeggen oorlog voeren, als de omstandigheden er naar zijn. Anders neemt de Britse invloed in de wereld snel af, aldus Blair.

Volgens Hollis voltrok zich door ‘Irak’ ook een opmerkelijke gedaanteverwisseling in Tony Blair zelf. Was hij de eerste jaren van zijn premierschap bijna bezeten van opiniepeilingen en wilde hij tot elke prijs vermijden tegen de wil van het publiek in te gaan, ten aanzien van de Irak-crisis liet hij die houding varen. Hij werd een gelovige, zozeer overtuigd van zijn eigen gelijk dat hij niet meer vatbaar is voor andere geluiden.

„Zijn houding werd harder”, zegt Hollis. „In plaats van vrees voor kritiek te tonen, legde hij plotseling alle tegenwerpingen uitdagend naast zich neer. Hij begon uitdrukkingen te gebruiken als: ‘in dit ambt moet je doen wat juist is’ en ‘ik weet wat ik geloof’. Dat was echt een breuk met de pragmatische traditie van de Britse diplomatie die de complexiteit van de wereld als een gegeven beschouwt. Hierdoor beseffen diplomaten dat je met goede argumenten moet komen om mensen te overtuigen en dat je af en toe niet ontkomt aan concessies en onderhandelen.”

Zelfs een loyale aanhanger van Blair als het Lagerhuislid Denis MacShane, voormalig minister voor Europa in Blairs kabinet, erkent dat de oorlog in Irak een fors minpunt op de balans van Blairs buitenlands beleid is geworden. „Als je de laatste vier jaar beziet door het prisma van Irak, zie je alleen maar geweld op een schaal die niemand voor mogelijk had gehouden. Maar het was een heel moeilijk besluit. Wat zou men van Blair zeggen als Saddam Hussein nog gasaanvallen op de Koerden uitvoerde?”

De nasmaak van ‘Irak’ werd de afgelopen weken nog bitterder door de kwestie van de vijftien door Iran gevangengenomen marinemensen. Alles wijst erop dat het om schaamteloze agressie van de Iraniërs ging: ze pakten de lichtbewapende Britten onverhoeds op in de Iraakse territoriale wateren. Maar blunders van de Britten zorgden ervoor dat niet zozeer de Iraniërs als wel de Britten in verlegenheid gebracht werden en, sterker nog, uitgroeiden tot de risee van de wereld.

Waarom beschermden de Britten hun militairen niet beter en waarom gaven de vijftien marinemensen zich zonder slag of stoot over? En waarom lieten ze zich zo eenvoudig overhalen voor de camera te zeggen wat Teheran wilde? Geërgerd spraken sommige columnisten hun verbazing uit over de golf van Britse sympathie voor de enige vrouwelijke gevangene, Faye Turney, die haar dochtertje zo miste. „Als je al huilerig en week in de knieën wordt over het lot van een moeder en speciale consideratie voor haar wilt, moet je haar niet naar een oorlogsgebied sturen”, fulmineerde Theodore Dalrymple in het weekblad The Spectator. En hij voegde eraan toe: „Het is algemeen bekend dat oorlogsgebieden slecht zijn voor jonge moeders.”

Zo mogelijk nog minder heroïsch was het optreden van Arthur Batchelor (20). Na zijn vrijlating bekende hij vaak „als een baby” te hebben gehuild in zijn Iraanse isoleercel. Het was voor hem het ergste geweest dat zijn Iraanse bewakers hem Mr. Bean hadden genoemd, de bekende komische figuur van Rowan Atkinson.

Deze pijnlijke details zouden wellicht binnenskamers zijn gebleven als het ministerie van Defensie de vrijgelaten militairen niet had toegestaan voor veel geld hun verhaal te verkopen aan de Britse media. De druk van met name de boulevardbladen op de vrijgelaten militairen zou vermoedelijk onverdraaglijk worden, meende het ministerie, dus was het maar beter toe te geven. Het besluit werkte averechts. Niet alleen waren de verhalen van de militairen gênant, ook de verkoop maakte een belabberde indruk. Die bevestigde het beeld dat in het tijdperk-Blair alles te koop is. Een dag van nationale vernedering, oordeelde The Spectator in een hoofdartikel. Ian Hislop, chef van het satirische weekblad Private Eye, grapte naderhand dat er inmiddels op het ministerie van Defensie een nieuwe groet was geïntroduceerd: twee handen omhoog.

De handelwijze van regering én marinemensen staat in schril contrast met het korte maar hevige conflict met Argentinië over de Falklandeilanden van 25 jaar geleden, dat dezer dagen met een zekere weemoed in Groot-Brittannië wordt herdacht. Het zag er toen eerst beroerd uit voor de Britten, maar met een aantal gedurfde operaties wisten ze de Argentijnen toch te verdrijven.

Nog voordat Londen besloot een legermacht naar de Falklands te sturen, was er een onderhoud tussen premier Margaret Thatcher, minister van Defensie John Nott en admiraal Henry Leach. „Zouden we de eilanden echt kunnen heroveren als ze bezet werden?”, vroeg Thatcher. „Ja”, antwoordde Leach, volgens zijn eigen memoires. „Naar mijn mening zouden we dat kunnen en, hoewel ik daar niet over ga, zouden we het volgens mij ook móéten doen.” Waarom, informeerde Thatcher. „Als we dat niet doen”, aldus Leach, „leven we binnen enkele maanden in een ander land, waarvan de stem amper meetelt.”

Dankzij de geslaagde interventie, die bovendien bijdroeg tot de ondergang van de militaire dictatuur in Argentinië, steeg Thatchers prestige in binnen- en buitenland. Met de IJzeren Dame en de Britten viel niet te spotten. Natuurlijk zijn de Falklands en Irak niet met elkaar te vergelijken, maar als de kwestie van de vijftien marinemensen iets aantoont, dan is het dat er tegenwoordig wel met de Mr. Beans en nerveuze moeders uit de Britse strijdkrachten valt te spotten. Om nog maar te zwijgen van de minister van Defensie Des Browne en zijn baas, Tony Blair, die zich nogal lafhartig van de affaire distantieerde. Hij beweerde pas van het besluit over de verkoop van verhalen gehoord te hebben toen het al genomen was.

„De Iraniërs zeiden dat ze altijd hadden gedacht dat de Britten sterk waren en tegen een stootje konden”, zegt Rosemary Hollis van Chatham House. „Maar in dat ontstellende spektakel van een paar weken geleden maakten ze een uiterst zwakke indruk.”

De vraag is dan ook hoe groot de invloed van het Verenigd Koninkrijk in de wereld na tien jaar Blair nog is. Hoewel moeilijk te meten, staat wel vast dat die invloed nu minder is dan vijf jaar geleden. De eerste jaren van zijn premierschap, toen hij zich dus nog druk maakte om zijn imago, leek Blair niets verkeerd te kunnen doen. Hij herstelde de relatie met de Amerikanen, die onder zijn voorganger John Major was bekoeld. Hij kon uitstekend overweg met de Amerikaanse president Bill Clinton, die goed lag bij de Britse bevolking. En het was ook Blair die Clinton in 1999 overhaalde tot militair ingrijpen in Kosovo, nadat in het voormalige Joegoslavië honderdduizenden mensen op de vlucht waren geslagen. Dit was een interessant precedent: een militaire interventie om humanitaire redenen. In Sierra Leone hanteerde Blair hetzelfde principe, met succes.

Ook bouwde hij na jaren van spanningen onder Conservatieve regeringen goede betrekkingen op met de Duitsers en de Fransen. „Blair was degene die de Europese defensie een nieuwe impuls gaf door met de Fransen samen te werken”, zegt MacShane. „We bouwen nu zelfs samen met de Fransen vliegdekschepen. Admiraal Nelson moest eens weten.”

Het toppunt van Blairs invloed en aanzien kwam kort na de verwoestende aanslagen op New York en Washington. Blair wist, zoals vaker in crisissituaties, precies de juiste toon te treffen. Beter nog, vonden ook veel Amerikanen, dan hun eigen nieuwe president George Bush. Als enige Europese leider woonde Blair vlak na 11 september een speciale zitting van het Amerikaanse Congres bij. Bush wendde zich naar de plaats waar Blair zat en sprak geroerd: „Thank you for coming, friend.”

Het jaar daarop begon de kentering. Blair schaarde zich onvoorwaardelijk achter de Amerikanen, die na de interventie in Afghanistan ook wilden afrekenen met de Iraakse dictator Saddam Hussein. „Blairs nauwe band met Bush viel veel minder goed bij een groot deel van het Britse publiek dan zijn goede relatie met Clinton, met name binnen zijn eigen partij”, zegt Hollis. „Bush’ minachting voor het internationale multilateralisme en het internationaal recht was hun een doorn in het oog.”

Of Blair nu wel of niet wist dat de inval in Irak onvermijdelijk was, hij had de Amerikanen al bij voorbaat verzekerd dat hij hen door dik en dun zou steunen. Weliswaar droeg hij er toe bij dat Bush in de aanloop naar de Irak-oorlog eerst de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties inschakelde, maar dat bleek een doodlopende weg. Blair verzuimde daarna – volgens de toenmalige Britse ambassadeur in Washington Christopher Meyer ten onrechte – meer concessies van Bush af te dwingen, in het bijzonder voor de fase na de omverwerping van Saddam. Dat kwam vermoedelijk mede doordat Blair zelf overtuigd was van de juistheid van de oorlog tegen Irak. „Daarmee leg je je lot in handen van de bondgenoot”, aldus Meyer in zijn memoires DC Confidential.

Steeds minder talrijk werden de bewijzen van Blairs invloed op het Amerikaanse beleid. „Ik begrijp niet”, schreef onlangs Anthony Giddens, een vooraanstaand socioloog die Blair af en toe adviseerde, „waarom Blair al zijn geld op één paard zette.”

Meer en meer schilderden critici hem af als een schoothond van president Bush. Een indruk die vorig jaar werd versterkt door de onderdanige manier waarop Blair zich op een bijeenkomst in St Petersburg van de G8, de acht grootste geïndustrialiseerde landen van de wereld, bij Bush kwam polsen of hij niet eens naar het Midden-Oosten moest in verband met de crisis rond Libanon. „Yo Blair", sprak Bush de premier joviaal aan, zoals via een toevallig openstaande microfoon viel te horen. Stamelend vroeg Blair de president vervolgens of hij zijn cadeau – een trui – mooi vond en of het wel zo verstandig was minister van Buitenlandse Zaken Condoleezza Rice naar het Midden-Oosten te sturen. Waarom hij, Blair, niet? „Als zij gaat, moet ze natuurlijk slagen, als het ware, terwijl ik kan gaan om alleen maar te praten”, legde Blair uit, zichzelf en passant reducerend tot een onbeduidende pion wiens stem er minder toe doet dan die van een Amerikaanse minister. Om de vernedering compleet te maken, wees Bush Blairs suggestie resoluut van de hand.

Ook in Europa heeft Blair door ‘Irak’ bij velen krediet verspeeld. Vooral de betrekkingen met andere grote Europese landen als Frankrijk en Duitsland, aanvankelijk verbeterd, zijn aanzienlijk bekoeld. Toch blijft Blair in sommige opzichten een inspirerend voorbeeld. Velen in Frankrijk, inclusief de presidentskandidaten Nicolas Sarkozy en Ségolène Royal, kijken met een schuin oog naar de overzijde van het Kanaal. De Britse economie met zijn open markten en relatief vrije toegang voor buitenlandse werknemers, is immers al jaren veel dynamischer dan de Franse. Zo’n 250.000 Fransen, veelal hoog opgeleid, verdienen nu liever in Groot-Brittannië hun brood.

Ook in Oost-Europa en in Turkije heeft Blair nog altijd een goede naam. „De afgelopen jaren is Blair zonder twijfel de kampioen geweest van de uitbreiding van de Europese Unie”, zegt MacShane. „Hij heeft dat natuurlijk niet in zijn eentje kunnen doen, maar hij heeft zich er voortdurend sterk voor gemaakt.”

De afgelopen paar jaar heeft Blair zich ingespannen om de problemen van Afrika hoger op de agenda van de G8 te krijgen evenals de opwarming van de aarde. Maar van de extra hulp aan Afrika, die twee jaar geleden door de G8 werd beloofd, is nog maar 10 procent verstrekt, bleek deze week. En wereldwijde overeenstemming over het klimaatbeleid is uitgebleven.

Op de valreep ijvert Blair nu nog voor een nieuw Europees verdrag ter vervanging van de door Fransen en Nederlanders verworpen Europese grondwet. Maar een hoofdrol is niet meer voor hem weggelegd. De Duitse kanselier Angela Merkel is een bepalender figuur. Diezelfde Merkel haalde ook de betrekkingen met Washington aan, waardoor de relatie van Blair met Bush aan exclusiviteit verloor.

Volgens MacShane zal de wereld Tony Blair nog missen, als hij binnenkort opstapt. Hollis denkt daar anders over. „Blairs tijdperk is voorbij”, zegt ze. „He is yesterday’s man.”