Visie gezocht, liefst oranje

Economisch patriottisme – Nederland doet er niet aan. Waarom eigenlijk niet? Nu gaat ABN Amro weer op de schop. Het verzet komt op gang.

Twee generaties geleden had Nederland geluk met een paar van de beste voetballers ter wereld. Mannen als Cruijff. Totaalvoetbal. Het Ajax van de jaren zeventig.

„Sindsdien denken we dat we heel wat voorstellen, met onze competitie. Met het Nederlands elftal. Maar als puntje bij paaltje komt worden we weggevaagd. Net als ABN Amro, dat nu wordt gefileerd door echte Europese spelers.”

Paul Frentrop, kenner van het Nederlands ondernemingsbestuur, adviseur van grote beleggers en publicist, hoeft niet lang na te denken over de verkoop van ABN Amro, de grootste Nederlandse bank, waarvan de voorloper is opgericht door Koning Willem I. „Met het voetbal en met onze grote bedrijven leefden we jarenlang boven onze stand.”

Voetbal en zakendoen hebben veel gemeen, en niet alleen omdat ABN Amro sponsor is van Ajax. Mannen, rivaliteit, uniforme kledij zijn gemeenschappelijke kenmerken, evenals spelverruwing, grote belangen, groot geld. En: als het erop aankomt worden zowel de voetballers als de ondernemers in de pan gehakt.

Wat opvalt is de stilte. Nederland stond op de bres voor DAF. Voor Fokker. Tot op heden niet voor ABN Amro. „Het Oranjegevoel is selectief”, concludeert voorzitter Henk van der Kolk van FNV Bondgenoten, de grootste (465.000 leden) vakbond in de marktsector. DAF en Fokker werden als echt Nederlands ervaren. De identiteit van ABN Amro is permanent aan verandering onderhevig, zegt Van der Kolk. Hij wijst op de ontslagrondes van een paar jaar geleden, in Nederland, waardoor het zwaartepunt van het bedrijf nog meer in het buitenland kwam te liggen.

Economisch patriottisme is niet erg Nederlands. Dat was wel eens anders. ‘Koopt Nederlandsche waar, dan helpen wij elkaar’, was in de jaren dertig de leus van de Vereniging Nederlands Fabrikaat. Kies voor goederen van eigen bodem om de economische crisis bestrijden.

Maar net als nu streden toen nationaal-economische gevoelens met de krachten van de liberale, mondiale markteconomie. De dominante politicus in de jaren dertig, minister-president Hendrik Colijn, had zijn carrière en zijn fortuin juist gemaakt bij Koninklijke/Shell, een multinational met zetels in Den Haag en Londen.

Na de oorlog was economisch nationalisme verdachte politiek. Vrijhandel en liberalisme werden de nieuwe normen. In de jaren tachtig volgde een nieuwe golf. Margaret Thatcher. Ronald Reagan. Europese Unie. Geld ging vrijelijk stromen, staatsondernemingen werden geprivatiseerd, aandeelhouders passeerden werknemers als de toonaangevende klasse, bedrijven begonnen elkaar in hoog tempo op te kopen.

De nationale gevoelens werden niet gespaard. Mannesmann op de rand van overgave kopte Europa’s zakenkrant, The Financial Times, begin maart 2000 bij het recordbod van vierhonderd miljard euro van het Britse belbedrijf Vodafone op de Duitse concurrent. Oude sentimenten in een economisch jasje: een Duitse naam, oorlogsjargon, capitulatie.

Vrije handel was het devies. Ranglijsten lieten jaar na jaar zien: Nederlandse bedrijven zijn mondiale opkopers. Een foto uit 1996. Onder leiding van topman Aad Jacobs marcheert de winnende club, het team-ING, door Schiphol. Op weg naar een nachtelijke persconferentie. ING had de failliete Britse elitebank Barings gekocht.

Maar buitenlandse bedrijven winkelden ook hier. Fokker, DAF, Hoogovens, Elsevier, de Amsterdamse beurs, de KLM, Libelle en Margriet, Endemol, regionale busbedrijven, halfgeleiders van Philips, talloze winkelcentra, de geneesmiddelendivisie van Akzo Nobel.

En nu: ABN Amro.

Bestuursvoorzitter Groenink, tegenover het NOS Journaal, over zondagavond toen hij akkoord ging met Barclays: „Een groot emotioneel moment. Jongen. Jongen. Jammer.”

‘Dat ABN Amro in buitenlandse handen komt, is de consequentie van hun eigen beleid, van het zichzelf te koop zetten”, zegt Kees Koedijk, hoogleraar financieel management aan de Rotterdamse Erasmus Universiteit en voorzitter van de Raad van Economische Adviseurs (REA) van de Tweede Kamer. De REA, een gezelschap van vijf prominente economen, adviseert het parlement.

ABN Amro is twee maanden geleden in het nauw gedreven door diverse buitenlandse speculanten. Zij hekelden de zeven magere jaren onder Groeninks bewind. De bank zocht haar heil in verkoop aan de Britse bank Barclays. Nu willen een Schotse en een Spaanse bank en Fortis, de Belgisch-Nederlandse bank en verzekeraar, een hoger tegenbod doen. Zij nemen van ABN Amro wat ze willen, en sluiten de rest.

Dat staat Nederland toe. Andere landen, zoals Duitsland en Frankrijk houden buitenlandse overnames van ‘strategische sectoren’, zoals hoogwaardige technologie, media en posterijen liever af. De Spaanse regering blokkeerde enkele weken geleden de overname van energiebedrijf Endesa door de Duitse concurrent Eon. De Amerikaanse regering heeft een aparte commissie die buitenlandse investeringen in ‘gevoelige’ bedrijfstakken beoordeelt. En desnoods afwijst, in het nationaal belang.

„Een beetje meer Franse spirit in Nederland mag wel”, zegt Van der Kolk. „Als in Frankrijk een nationale kampioen wordt aangepakt, is de wereld te klein.”

Hij weet zich gesteund door het 21minuten.nl onderzoek op internet waaraan vorig jaar 170.000 Nederlanders meewerkten. Uitkomst: zeventig procent vindt overnames van Nederlandse bedrijven door buitenlandse investeerders een groot probleem.

Is de ‘uitverkoop’ onvermijdelijk? Nederland had beter verdiend, vindt Frentrop. Kijk naar de kolossale bedragen die burgers voor hun pensioen hebben gespaard. Al meer dan 700 miljard euro. Daarvan is volgens hem maar één procent belegd in Nederlandse bedrijven. Buitenlandse beleggers pakken nu de extreem hoge rendementen, zoals nu de 50 procent op aandelen ABN Amro.

Frentrop: „Wij zijn achteloos met ons pensioengeld omgesprongen en hebben het niet ingezet voor onze nationale belangen. Nederland staat nummer twee op de lijst van Europese landen met het hoogste percentage buitenlandse aandeelhouders. Achter Hongarije. Net boven Estland. Kijk naar Engeland, Duitsland en Italië, daar hebben buitenlandse beleggers minder dan een kwart van de aandelen. Dat zijn landen met een financieel gesloten cirkel, maar het zijn geen gesloten landen. Nederlandse bedrijven waren kunstmatig afgesloten, met beknotting van beleggersinvloed. Dat is veranderd. En dan blijft er weinig over. Dat was het dan.”

Wat kan Nederland nog doen?

Van der Kolk van FNV Bondgenoten: „Het wordt tijd dat het publiek van de tribune komt en zich in de arena met het gevecht gaat bemoeien. Wij willen dat ABN Amro als zichtbare, herkenbare bank blijft bestaan. Wij zijn geen Consumentenbond, maar in het verleden zijn kopersstakingen wel effectief gebleken, zoals in de discussie over het topsalaris van meneer Moberg bij Ahold en bij het afzinken van de Brent Spar door Shell.”

Van der Kolk wil ook dat de nationale vakbonden op het hoogste niveau met multinationals kunnen onderhandelen over cao’s en reorganisaties. Nu wordt bijvoorbeeld het verlies van bijna 24.000 banen in de Barclays-ABN Amro combinatie door de top van het bedrijf vastgesteld en als voldongen feit aan de nationale bonden gepresenteerd.

Koedijk van de Raad van Economische Adviseurs: „Het is dramatisch als we helemaal níéts doen.” Hij vindt dat staatssecretaris Frank Heemskerk (toevallig: ex-medewerker van ABN Amro) van Economische Zaken actie moet ondernemen. „Nederland heeft een visie nodig over hoe het de economie in stand wil houden.”

ABN Amro is verloren als zelfstandige Nederlandse bank, oordeelt Koedijk, maar de financiële sector in en om Amsterdam kan nog gered worden. Dat is een bedrijfstak met kennisgedreven banen, met talloze adviesfirma’s erom heen. Bovendien: een schone bedrijfstak. Nederland is traditioneel sterk in geld: grote banken, verzekeraars en pensioenfondsen. Maar buitenlandse concurrenten trekken er hard aan. Beleggingsfondsen zijn naar Luxemburg geëmigreerd. Ierland lokt financiële bedrijfsafdelingen. België probeert onze pensioenfondsen te krijgen. „Heemskerk moet als doelstelling nemen: elk jaar tien buitenlandse pensioenfondsen hier naar toe. Hij moet de boer op met de complete kennis die Nederland heeft op gebied van pensioenen. Naar Milaan, Rome, Turijn, Madrid. Italië heeft nauwelijks pensioen gespaard, daar worden nu massaal pensioenfondsen gesticht. Waarom nemen Nederlandse pensioenfondsen geen consultants over in die landen? Dan hebben we direct een voet tussen de deur.”

Dat is wat Nederland kan doen. Maar wat doet politiek Den Haag nu? Het is stil in Den Haag.

„Waar is het debat, in de samenleving, maar ook in Den Haag”, vroeg directievoorzitter Dick Sluimers van pensioengigant (ruim 200 miljard euro) ABP zich een paar weken geleden hardop af.

In november wonnen de meer nationalistisch georiënteerde politieke partijen de verkiezingen: Wilders’ Partij van de Vrijheid, SP. Je ziet het economisch beleid in Nederland wat nationalistischer worden. De netwerken van de energiebedrijven mogen bijvoorbeeld nu niet meer in buitenlandse handen vallen.

Als minister van Financiën stemde Wim Kok (nu commissaris bij onder meer Shell) begin 1990 direct in met de fusie van ABN en Amro. Nu houdt minister Bos zich op de vlakte.

Het verbaast Koedijk, Frentrop en Van der Kolk dat politici zwijgen. Tegelijkertijd begrijpen ze het ook wel. „Wat nu gebeurt is overrompelend voor Kamerleden”, zegt Koedijk. „De verkoop van bedrijven. De overnames door opkopersfondsen. De financiële speculanten. De uitkomsten zijn niet eenduidig. Hoe moet je dat wegen? Soms is het goed, soms niet, maar hoe organiseer je dan eventuele tegenkrachten?”

Frentrop: „Den Haag staat van oudsher ver af van de financiële wereld. Die regelt het zelf wel, is het gevoel. Je hebt toch ook niets uit de politiek gehoord toen de Amsterdamse effectenbeurs opging in Euronext?”

Van der Kolk: „Politiek Den Haag moet zich meer verdiepen in wat er gebeurt en wat zij gewenst vindt. Dat is nog wat anders dan ingrijpen. Grote concerns zijn niet alleen bezig met overnames en bedrijven opbreken, zij worden zelf ook achtervolgd, en dat spel wordt in steeds hoger tempo gespeeld – en steeds verder weg.”