Uitsterven in de broeikas

Als het klimaat verandert, kunnen planten- en dierensoorten uitsterven. Misschien wel een op de vier, schat het IPCC. Dat klopt niet, zeggen biologen. Karel Knip

Een kwart van alle planten- en dierensoorten kan nog deze eeuw uitsterven. Dat was het nieuws na de persbijeenkomst in Brussel op 6 april van werkgroep II van het IPCC. Want als de temperatuur door het broeikaseffect blijft stijgen, wat aannemelijk lijkt, neemt volgens het IPCC voor 20 tot 30 procent van planten- en dierensoorten het risico op uitsterven toe.

Het IPCC is het VN-orgaan voor wetenschappelijke analyse van klimaatverandering. Om de zes jaar worden actuele studies door drie IPCC-werkgroepen beoordeeld en samengevat. Werkgroep I rapporteert over het klimaat zelf, werkgroep II behandelt de gevolgen en werkgroep III formuleert oplossingen.

Het aanstaande verlies aan biodiversiteit is in de media breed uitgemeten. Dat het IPCC zelf de kans dat de voorspelling uitkomt niet groter dan 50 procent achtte, ontsnapte makkelijk aan de aandacht.

Wat ook bijna iedereen ontging is dat de conclusie in het concept van de samenvatting veel harder was geweest: als de temperatuur stijgt zoals aangenomen loopt 20 tot 30 procent van alle soorten een hoge kans op onomkeerbaar uitsterven. In het ambtelijk overleg dat aan de perspresentatie voorafging is ‘hoog’ veranderd in ‘toenemende’. En er werd aan toegevoegd dat de uitspraak alleen de tot dusver onderzochte soorten betrof. Zo ontstond een afgezwakte bewering die toch door iedereen is geïnterpreteerd zoals de bedoeling was: straks is een kwart van de soorten weg.

In het maartnummer van BioScience (online) hebben negentien onderzoekers aangevoerd door de ecoloog Daniel Botkin geprotesteerd tegen de conclusies. Wij geloven dat het tempo van uitsterven wordt overschat, schrijven zij. De gehanteerde methoden deugen niet.

bittere kritiek

Het IPCC-rapport waarvan op 6 april alleen de samenvatting werd gepresenteerd is nog niet gepubliceerd, maar het concept (‘Do not cite – Do not quote’) bleek beschikbaar. Daaruit blijkt dat de spraakmakende conclusie steunt op twee, hooguit drie studies. De voornaamste daarvan werd op 8 januari 2004 in Nature gepubliceerd met Chris D. Thomas uit Leeds als eerste auteur. Hij is eerder in deze krant besproken; toen kwam er bittere kritiek van Nederlandse onderzoekers als de ecoloog Flip Witte en de florist Ruud van der Meijden.

De methode die Thomas c.s. hanteren heet de niche- of klimaatenvelop-methode. Hij gaat ervan uit dat voor elke plantensoort heel precies een combinatie van eisen is te formuleren die de soort aan zijn klimaat stelt (gemiddelde en maximale temperatuur, hoeveelheid neerslag etc.). De onderzoekers ontdekken deze klimaatfactoren door na te gaan wat de klimaatextremen zijn die optreden in het huidige verspreidingsgebied van de soort. Ze gaan ervan uit dat soort en klimaat inmiddels wel met elkaar in evenwicht zijn. Het vervolg gaat aldus: voor een aantal aannemelijk geachte emissie-scenario’s (afgeleid uit een waaier aan economische en sociale verwachtingen) wordt met een serie betrouwbaar geachte klimaatmodellen berekend hoe de relevante klimaatfactoren in het bestudeerde verspreidingsgebied in deze eeuw veranderen.

Wie héél veel soorten analyseert kan voor een begrensd gebied wel zo’n beetje aangeven hoeveel plantensoorten er kunnen uitsterven omdat hun klimatologische niche verdwijnt: het wordt te warm, te droog of te nat. Een complicatie is dat in de omgeving van het oude verspreidingsgebied nieuwe bruikbare niches kunnen ontstaan, maar dat niet duidelijk is of de soort-in-moeilijkheden die ook kan bereiken. De onderzoekers lossen dit probleem op door de bereikbaarheid van nieuwe niches gewoon op 0 of op 100 procent te zetten.

vast verband

In de praktijk gaat het vaak anders. Men definieert niet de klimaateisen van een soort, maar van een uitgestrekt, samenhangend en min of meer homogeen (dus herkenbaar) vegetatiesysteem, zoals een steppe, een toendra of een tropisch of boreaal bosgebied. Ook voor deze grote systemen valt bij benadering te schatten hoeveel groter of kleiner ze zullen worden als het klimaat verandert. Daarna brengen de ecologen de ‘soort-oppervlak relatie’ in stelling. Lang geleden is ontdekt dat er een tamelijk vast verband bestaat tussen het oppervlak A (in km

Thomas c.s., die graag een bewering voor de gehele aarde wilden doen, liepen ook vast op de vraag hoe je de krimp van oppervlakten met zeer verschillende afmetingen moet vergelijken. De rekenarij waarin zij zich daarna begaven is tenenkrommend.

Het conceptrapport van het IPCC laat hier en daar doorschemeren dat er bedenkingen zijn. Men noteert dat het beeld van de potentiële risico’s verre van volmaakt is en dat het hier en daar tegenstrijdigheden oplevert. Maar uiteindelijk heeft men toch een dramatisch getal willen noemen.

De negentien geleerden in BioScience zijn duidelijker. De gehanteerde modellen zijn onacceptabel grove simplificaties, schrijven zij. De meeste modellen zijn niet te toetsen en zitten vol cirkelredeneringen. Meestal worden andere ongunstige invloeden als habitat-vernietiging of stikstofbemesting genegeerd. De z-waarde is een slag in de lucht en het staat helemaal niet vast dat de eisen die soorten aan hun omgeving stellen zo rigide zijn. Hun sterkste argument: de klimaatverandering die tot de laatste ijstijd leidde was ook niet mis, maar toen zijn nauwelijks soorten verdwenen. Dat blijkt uit pollenonderzoek en teruggevonden fossielen. Pas als dat ‘Quaternary conundrum’ is opgelost kunnen wij voorspellingen gaan doen, vinden ze.