Terwijl de koningin feest viert, gaan Haest en De Graaff in de zorg. Als en verzorger patiënt

De moeder van Nederland is jarig. Haest (links) en De Graaff vragen zich af: wie zorgt er voor haar trouwe onderdanen? Zij staan in verpleegstersuniform aan het ziekenhuisbed, verzorgen de hulpbehoevenden thuis en wonen als patiënt in een zorgcentrum

Thuiszorg

De Graaff maakt vandaag huizen schoon, Haest mensen. Wij werken voor thuiszorgorganisatie CombiZorg in Amsterdam. Met een digitale pas checken we bij elke voordeur in en uit. Dit is het bewijs dat we geweest zijn, vergeetachtige klanten bellen regelmatig dat ze ‘de hele dag niemand gezien hebben’. Haest trekt latex handschoenen aan en behandelt het hardnekkige eczeem op het hoofd van een vermagerde bejaarde in de Bonairestraat. Eten, pillen en lichaamsverzorging; hij vergeet het soms. De krant ligt open, de tv schalt de ochtendspits door het huis.

Op de tv in de bovenwoning van een 88-jarige mevrouw in de Rivierenbuurt gaan de files over in het weerbericht. Haar huis ziet er proper uit. Schoonmaken lijkt De Graaff een makkie, er wordt vrijwel nergens meer gelopen. Op het vloerkleed rond de relaxstoel liggen kruimels, het ziekenhuisbed voor het raam is omgewoeld. Thuiszorgster Tineke wijdt De Graaff in: de grootste noodzaak is koffie met een praatje. Het weekend was eenzaam. Mevrouw drinkt haar bakkie met een buigbaar rietje. De ziekte van Parkinson heeft haar in de greep. Haar handen slaan een pijnlijk ritme op haar buik.

Haest trekt de ene voordeur dicht, de andere open. Met thuiszorgster Yolande fietst ze vrolijk door de lanen van Amsterdam-Zuid onder zonnestralen en roze prunusbloesem. Ze voelt zich een plattelandsdokter op haar ronde. De volgende huissleutel moet opgepikt worden bij het sleutelafhaalpunt. Lange rijen sleutels getuigen van vele voordeuren die niet meer door hun bewoners opengemaakt kunnen worden. In het appartement aan de Rijnstraat wasemt de geur van vergankelijkheid Haest tegemoet. In het donker zit een halfnaakte vrouw op het randje van haar bed. Urine druppelt langs beide benen. De vrolijkheid van Haest verdwijnt.

De Graaff neemt intussen tafeltjes vol snuisterijen af. Met nerveuze handen zet ze, onder toeziend oog van mevrouw, alle porseleinen beeldjes exact zo terug als ze stonden. Na tien keer lukt het haar nog niet de kleedjes in de juiste plooi te draperen. Maar ze geeft niet op. Zij schikt het uitzicht van mevrouw, háár trillende handen zetten immers niks meer recht en uit deze kamer komt ze niet meer.

Haest racet door en smeert een luxe ontbijtje met gerookte zalm in de Biesboschstraat. De koelkast is gevuld door dochterlief. Mevrouw staat op randje verpleeghuis. Dochter wil wel, mevrouw niet. Huis en haard verlaten is volgens haar weggaan bij jezelf en de eenrichtingsweg naar het eindstation. Haest snapt alle zorgen wel. Yolande tilt de borsten omhoog en wast haar doorleefde huid.

In het propere huis sopt De Graaff fluitend de badkamer en schrikt van onverwacht vuil. Op de wasmachinedeur zitten donkere strepen poep. De aftakeling is haarscherp uitgetekend. Mevrouw is soms wat verward. De was doet ze graag zelf en vanaf de wc kan ze bij de knoppen. Tineke boent de keukenkasten, maar zou liever de kledingkast aanpakken die volhangt met maatje 44. Het huidige maatje 38 mag er van mevrouw niet in. Ze hoopt ooit weer 44 te worden.

De telefoon van Yolande rinkelt: een meneer wil niet worden aangekleed. Mevrouw wil weten hoe oud hij is. „93? Ik ben erg geïnteresseerd. Wat kan ie nog?” Yolande zegt lachend dat hij nog heel veel kan. „Oh, dan wil ik hem niet.” Als het aan ons – de thuiszorgers – ligt, is elke klant koning in zijn eigen huiselijk paleis. We blazen de eenzaamheid even weg en verzorgen liefdevol de gehavende mens in de eigen haven. Bij het weggaan stopt Haest haar een warme kruik toe. „Heb ik tenminste gezelschap in bed”, lacht mevrouw.

Sint Lucas Andreas Ziekenhuis

Birckenstocks en Crocs staan instapklaar tussen de kledingkluisjes in de verplegergarderobe van het Amsterdamse Sint Lucas Andreas Ziekenhuis. Wij drukken de knopen van ons witte verplegerjasjes stevig dicht. Ook al is het ziekenhuiswarm, Haest en De Graaff houden het T-shirt eronder aan. Patiënten kunnen agressief worden, of opeens te lief, en trekken dan in één beweging het witte jasje open. We werken als verpleegkundigen op de afdeling neurologie. Het gedrag van de patiënten is soms onvoorspelbaar.

De eerste tien bedden zijn vrolijk: de ene dag komen deze patiënten krom van de hernia binnen, een paar dagen later zwaaien ze met rechte rug gedag. In de overige achtentwintig liggen patiënten met ‘neurologische ellende’. Ruïnes van de mens na beroerte of ander zenuwletsel. Een vrouw zet met de schrik nog in de ogen alweer de eerste stappen vooruit, op kamer 822 wacht een man rusteloos tot de hemelpoorten zich openen. Wij mogen hier niet zenuwachtig van worden, want wij hebben een witte jas aan.

Onze eerste patiënt is meneer Van Rijn, ontelbare beroertes in zeven jaar. Met openhangende mond wacht hij op zijn wasbeurt. Op zijn nachtkastje staat een kaartje met een understatement: ‘Je voelt je even niet zo lekker...’ De Graaff moet een drempel over, haar handen wassen de poedelnaakte man. Zij ontneemt hem alle privacy, maar het kan niet anders. De beroerte heeft hem zijn eigen ik ontnomen. Zijn hele lichaam zet zich schrap. Hij schreeuwt: „Rotzooi!” Als De Graaff zijn straffe armen door het onderhemd steekt, haalt hij agressief naar haar uit. Haest doet de afwerking. Het zoemende geluid van het scheerapparaat maakt hem zoet. Zijn hoofd zakt achterover, een kinderlijke glimlach siert zijn gezicht. Aftershave gaat op zijn wangen. Bril op, horloge om. Daar is meneer Van Rijn.

Wij lopen mee in de rustige cadans van bezige witte jassen door de fris gekleurde gangen. Een opgefokte junkie in een rolstoel rolt iedereen voor de voeten. Het team regelt, brengt, prikt, tilt, diagnosticeert en troost in een vet geolied systeem. Stoere verpleegkundige Miranda is onze gids in de jungle. Samen starten we de pillenronde, de controle van de persoonlijke pillenmenu’s vraagt uiterste concentratie. Maar overal is hoge nood. Kamer 821 moet eerst plassen voor hij kan slikken, in stervenskamer 822 is dringend een po nodig en meneer Van Rijn schreeuwt elke vijf minuten zijn aandachtskreet.

Voedingsassistenten Anja en Mara brengen met het gerinkel van hun etenskarren vrolijkheid. Ze zijn gouwe getrouwen, weten precies wie hoeveel klontjes, wie gesneden of geprakt en wie kan slikken of stikken. Vandaag serveren ze bonensoep. Het bijgerecht is als altijd een flinke portie lieve woorden.

Haest tilt met man en macht en De Graaff mevrouw Jaspers op haar stoel. Miranda voert een slecht nieuws gesprek – mevrouw Gelders krijgt te horen dat zij naar het AVL (Antonie van Leeuwenhoek) moet. Schoonmakers schrobben een vrijgekomen bed. Imposante bink Michielsen krijgt zijn lunch. Hij kan niet eten, de junkie zit hem boven op de lip. Dag en nacht is dat zijn buurman. In een schuilhoek op de gang vindt De Graaff hem huilend boven de stapel boterhammen die hij zelf niet meer kan smeren. Hij is de stoere kluts kwijt na zijn beroerte. De Graaff biedt haar schouder. Haest geeft een dementerende vrouw te eten. In slakkentempo gaat de boterham – ‘Ik vind er geen moer aan’ – naar binnen. Na jaren van zelfverwaarlozing thuis moet ze eten. In hun stille hoekjes zijn Haest en De Graaff even onvindbaar voor alle hulpvragen. Na een hordeloop van leed naar leed zitten we even stil en zakken weg in een moeras. We zijn boventallig dus het mag. Op de achtergrond schreeuwt meneer Van Rijn: ‘Rotzooi’.

Kortdurend opgenomen

Door een kier in de gordijnen kruipt een streep ochtendlicht over het marmoleum richting ons bed. Haest en De Graaff ontwaken in Woonzorgcentrum De Gooyer op de afdeling kortdurende opname. Na een breuk of bloeding worden op dit tussenstation mensen opgelapt voor thuis of – als het tegenzit – tehuis. Het lichtje van de alarmknop staart ons aan. Wakkere Dappermarktgeluiden luiden een bruisende dag in. Wij leven aan de andere kant van het glas en spitsen onze oren voor de geluiden op de gang. Kordate voetstappen, gespreksflarden en pillengerinkel.

Het is kwart over acht, de deur zwaait open. Verpleegkundige Agnes staat monter aan de rand van het bed. „Heeft u goed geslapen?”, vraagt ze vriendelijk. Het hoofd van De Graaff is net zo verkreukeld als haar lakens. Els ziet het: „Dat is vaak zo’n eerste nacht.” Haest – een kamer verderop – hoort achter de scheidingsgordijnen hoe haar 95-jarige buurvrouw met zorg gewassen en aangekleed wordt. „Weet je nog hoe we gister hebben zitten goochelen?”

Haest en De Graaff spelen vals, voor ons is het een koud kunstje om als eerste op de vers gedweilde vloer de stoelen voor het ontbijt aan te schuiven. Eiken buffetkast en nostalgie maken het zaaltje met projectmeubilair tot ‘de Huiskamer’. Op tafel staan plastic bakken vol met kuipjes smeerwaren, voorverpakte plakjes en sneetjes brood. Op de gang duwt een zuster karren vol incontinentiebroekjes voort, een broeder voert de pillen aan. We worden bevoorraad.

Eén voor één worden onze tafelgenoten binnengereden. Wachten met eten tot iedereen aan tafel zit, behoort niet tot de etiquette. Dertien bewoners kunnen onmogelijk door twee paar handen in een kwartier dagklaar gemaakt worden. De Graaff zit aan de praattafel. Ze leert de straattaal van grappende heren en van de tongriem gesneden tantes op leeftijd. Na een keer slecht vallen is dit hun tijdelijk huis. Vallen deed meneer Klaasma over de drempel van het ziekenhuis en mevrouw Helgers bij het aanmeren tijdens een boottochtje van de Zonnebloem.

Haest zit aan de zwijgtafel. Haar tafelheer is een reus in rolstoel. Een anker is verschrompeld op zijn vermagerde armen, de gevoerde boterham loopt langzaam over zijn kin. Om haar heen openen onmachtige handen pakjes kaas en smeren stugge sneetjes. Het lichaam faalt. Het is hopen op een boterhamsnij- of voermomentje van de te drukke verzorgingsassistente Roswita. Haest moet even slikken. „Gelaten alles over je heen laten komen, is de enige manier waarop je het redt”, zegt haar chique buurvrouw.

Aan de praattafel wordt voor elkaar gezorgd, sterke ledematen vullen zwakke aan. Eén mevrouw krijgt geen ondersteuning. Zij moet ver vooroverbuigen om de kaas te pakken. De Graaff voelt dat niet alle grapjes grappig zijn. Ongewenst intiem met vreemden leven eist zijn tol. „Het is een helletje”, fluistert de buurvrouw. „Het zijn topmensen, maar de mijne niet. Begrijp je, kind.”

Eén heer is zo kwiek dat hij dagelijks uitgaat. Mobiele Haest en De Graaff gaan mee naar het ouderwetse café in de hal. Buurtbewoners zijn hier welkom, er zijn geen drempels. De koektrommel gaat rond. Onze heer stelt ons ontroerd voor aan zijn reddende engel: een vriendelijke knaap op leeftijd achter een rollator. „Hij heeft me door de eerste dagen heen geholpen.” Het huis zit vol reddende engelen. Voor iedere ontgroening was er een.

Van ontbijt tot bed zit het ‘tijdelijk verblijvend’ gezelschap in de huiskamer in dezelfde stoelen. We leren hun bijnamen kennen. ‘Mevrouw Ja Ja Nee Nee’ tikt als een klok haar twee woorden. De ‘koningin’ van 104 jaar oud smijt met servies, want de koffie is niet goed. Zo nu en dan waait een vleugje frisse moed de huiskamer in: bezoek met gratis kranten en fruit van de markt.

Maar gelukkig gaat iedereen een keertje de kamer uit: zelf rollaterend of geduwd. De gezichten gaan aan. Een afspraakje met de revalidatietherapeut op tweehoog. Hij moet een topper zijn! Wij willen ook. Onder een complimentjesregen balanceren we tussen twee balken, en beseffen dat deze vriendelijke therapeut de vluchtroute naar buiten markeert. Hoop doet leven. Door de hele stad staan eigen huisjes leeg te wachten op de terugkomst van hun baasje.

Sommige straat- en andere namen zijn op verzoek van de geïnterviewden gefingeerd