Overheid moet markt ordenen

Voorzitter van de Sociaal-Economische Raad (SER). Ex-voorzitter van de werkgeversorganisatie VNO en ex-rector magnificus van de Erasmus Universiteit Rotterdam.

Een klassiek citaat luidt: Liberals can understand everything except people who don’t understand them.

Iets van deze frustratie klinkt door in het artikel van Frans de Graaf. Niettegenstaande alle recente triomfen van de markt bespeurt hij toch nog steeds te weinig echte liefde en echte waardering voor dit instituut. En zelfs al liggen het tempo en het niveau van de Nederlandse privatiseringdrift ongeveer rond het Europese gemiddelde, toch zou hij nog meer oprecht enthousiasme op prijs stellen en signaleert hij nog veel gemiste kansen. Om met de huidige minister van Financiën te spreken: Nederland kan zoveel beter.

Liberalen zijn niet uniek in hun liefde voor de markt, en hun conclusie dat er minder verzelfstandigd en meer geprivatiseerd moet worden zal velen aanspreken, zeker wat betreft de eerste helft ervan. Maar wat opmerkelijk is, is hun onderbouwing. De voorkeur van De Graaf voor de markt is een morele voorkeur en gebaseerd op een bijna onvoorwaardelijke voorliefde voor het primaat van het vrije individu, een vrijheid die waar ook maar enigszins mogelijk de ruimte zou moeten krijgen.

In deze luide klaroenstoot voor de vrijheid met bijbehorende lichtflits wordt nogal wat traditionele nuance rond dit thema plotseling onhoorbaar en onzichtbaar. Ook de meeste economen zijn dol op de markt, en velen van hen vinden dat elke inbreuk op marktwerking vanwege de overheid dan ook expliciete rechtvaardiging vergt, een rechtvaardiging die in laatste instantie ontleend moet worden aan de eruit voortvloeiende toename van de maatschappelijke welvaart.

Wie, zoals De Graaf, deze laatste doelstelling (overigens bij herhaling ook door de Sociaal-Economische Raad omhelsd) negeert, lijkt aan te geven dat deze zelf ondergeschikt moet worden geacht aan het primaat van de individuele vrijheid. Dat lijkt mij eerder een libertair dan liberaal standpunt.

Wie het dogma van de individuele vrijheid zo nadrukkelijk omhelst als De Graaf doet, biedt geen ruimte en hoeft ook geen ruimte te bieden voor veel van de traditionele economische voetnoten bij marktwerking en de grenzen daarvan. Misschien wel het opmerkelijkst is dat de royale aandacht voor overheidsfalen nergens gecomplementeerd wordt door het serieus nemen van vormen van marktfalen. Juist daar zien de vrienden van de markt een essentiële overheidstaak waar liberalen altijd wel voor waren te porren.

Men kan zich met recht en rede verbazen over de excessieve regelgeving die wordt uitgestort over de financiële markten, om toch tezelfdertijd te erkennen dat enigerlei vorm van gedragsrestricties wenselijk is om de door zo velen felbegeerde marktwerking ook werkelijk tot haar recht te laten komen.

Veel economen hebben geprobeerd aan te tonen dat in het bestaan van externe effecten een rechtvaardiging gevonden kan worden voor overheidsinterventies in de markt, en hebben de categorie van merit goods geïntroduceerd waarvan de consumptie op een maatschappelijk ongewenst laag niveau zou blijven steken zonder overheidsinterventie in de prijsvorming ervan. Ook deze beide invalshoeken komen niet in beeld bij De Graaf.

Als ik daaruit moet afleiden dat deze excuses voor overheidsbemoeienis door hem a priori worden verworpen, dan bepleit hij een revolutionair andere inrichting van Nederland dan thans gerealiseerd is. Klassieke ingrediënten van onze verzorgingsstaat, zoals sociale zekerheid, door de overheid gefinancierd onderwijs en door de overheid gesubsidieerd openbaar vervoer, ontlenen immers hun rechtvaardiging aan dit soort redeneringen. En inderdaad, De Graaf bepleit afschaffing van de gereguleerde marktwerking bij de verzelfstandigde NS.

Als De Graaf de bedoeling heeft om de aarzelaars en de twijfelaars over de markt in Nederland deelgenoot te maken van een brede en diepe markteuforie, dan vraag ik mij toch af wie van die grote groep zich hierdoor zal laten overtuigen. Zo overtuigend als hij zijn afkeer verwoordt van het al te grote aantal verzelfstandigingen dat heeft plaatsgevonden in Nederland, een afkeer die inmiddels in de politiek breed gedeeld lijkt te worden, zo radicaal lijkt hij zich te willen distantiëren van de vele vrienden van de markt die in een voorkeur voor dat ordeningsprincipe de nuance niet geheel uit het oog willen verliezen.

De Graafs artikel daagt uit om de grenzen van de marktwerking nog eens precies te verkennen alvorens wij de angst voor het falen van de markt al te haastig zouden inruilen voor het risico van het falen van de overheid. Die discussie is, met het aantreden van het nieuwe kabinet, voorzien van een nieuwe urgentie en een nieuwe actualiteit. Het is duidelijk dat de liberalen in Nederland – althans sommigen van hen – een scherpe insteek voor dit debat niet zullen schuwen.