Op de top van IJslands gletsjer Snaefellsjökull

Nu het warme weer aanhoudt en Groenlands ijskap verder blijkt gesmolten, zoekt Imre de Roo verkoeling op IJslandse gletsjers

‘Ik verlustigde mij in het heerlijke schouwspel, dat zich aan mijn oog vertoonde. Ik bevond mij op een van de pieken van de Snaefell. Diepe dalen kruisten elkaar in alle richtingen, de afgronden deden zich voor als putten, rivieren veranderden in beken. Wendde ik mij naar het westen, dan breidde de oceaan zich uit in zijn volle pracht.’’

De held van Jules Vernes boek Reis naar het middelpunt van de aarde was duidelijk onder de indruk toen hij eindelijk, na een urenlange beklimming in de ijzige kou tussen vallende stenen door, de top van de Snaefell bereikte. En terecht. Het is zonder meer een bijzondere ervaring om op de top van de gletsjer Snaefellsjökull op het IJslandse schiereiland Snaefellnes te staan met voor je een besneeuwde bergkam en om je heen niets anders dan eindeloze vergezichten over een immens blauwe zee. Boven je een knalblauwe wolkenloze lucht; in de verte is nog net het meest westelijke puntje van Europa te zien. En stilte, niets dan stilte.

lavarotsen

Wij hebben ronduit geluk met het weer. De dag voor onze komst naar hotel Budir, aan de voet van de berg, en naamgever en enige bebouwing in de ‘plaats’ Budir, waaide het en heeft het de hele dag geregend. Normaal regent het niet maar sneeuwt het, aldus de plaatselijke bevolking. Het hoort hier wit te zijn, niet wit met zwart (van de gestolde lavarotsen) en bruin (van verdord gras).

De ruim twintig centimeter sneeuw waar wij in wegzakken tijdens onze wandeling langs de kust, stelt in hun ogen dus niets voor. Het is een vreemde gewaarwording: we lopen over de rand van gitzwarte basaltkliffen die loodrecht in zee eindigen, tot onze enkels in de sneeuw. Aan de andere kant torent de Snaefell hoog boven ons uit, met twee witte pieken die verdacht veel op duivelshorentjes lijken. De vermeende „toegang tot het binnenste van de aarde’’ ziet er vanaf hier wel komisch uit.

De rand van de Snaefell-gletsjer is slechts een paar maanden per jaar te bereiken. En dan nog alleen met een fourwheeldrive. Nu is de hele berg in sneeuw gehuld, en kom je zelfs met een terreinauto niet ver als je de top op wilt. Voor een beklimming zou je zeker een volle dag uit moeten trekken, er vanuit gaande dat de onderneming niet door slecht weer ernstige vertraging oploopt of moet worden afgeblazen.

sneeuwscooter

Wij volgen het advies van de receptionist van ons hotel: wij gaan de berg op per sneeuwscooter en voelen ons heel fout. Maar toegegeven, het is hartstikke leuk om met zijn drieën (inclusief gids) als een stel losgelaten kleuters over eindeloze vlaktes maagdelijke sneeuw te scheuren. Zeker als je weet dat dergelijke exercities ’s zomers al gauw met meer dan vijftien man plaatsvinden. Mag je aan het begin van de rit de scooter vooral niet laten afslaan omdat hij anders vanwege de kou niet meer aangaat, tegen de tijd dat wij met bevroren vingers bij de top zijn aangekomen, mag hij gelukkig uit. Geen scooterherrie meer; helemaal niets hoor je.

Dezelfde avond zien we de berg in een heel ander licht. In Budir is de nacht nog daadwerkelijk aardedonker. Het eerstvolgende gehucht ligt acht kilometer verderop, verkeer is er niet. Het is ook nog eens perfect weer voor een fenomeen waarvoor Japanners volgens zeggen speciaal naar dit meest noordelijke Europese eiland afreizen: het Noorderlicht. Als we na het overheerlijke diner bij de open haard in de bibliotheek gaan zitten, ontwaar ik plotseling vreemde witte vegen boven de zwart afgetekende Snaefell berg.

De ober had ons al gewaarschuwd: rond middernacht zou er wellicht een ‘Aurora’ te zien zijn. Het is echter pas half tien. Samen met de twee andere gasten van het hotel lopen we naar buiten, een eindje van het hotel vandaan, zodat er helemaal geen omgevingslicht meer te zien is. Het Noorderlicht beweegt langzaam langs de bergtoppen van het schiereiland, nu eens lijkend op een zwak verlichte windhoos, dan sprekend ‘De Schreeuw’ van Edward Munch. Erg bijzonder.

Van Snaefellnes (‘nes’ is schiereiland in het IJslands) rijden we in één keer door naar de andere kant van IJsland, naar de grootste gletsjer van Europa, de Vatnajökull in het uiterste zuidoosten. Een tocht van zo’n vijf uur door een kaal, vrijwel onbewoond, ruig landschap. Zwart vulkaangesteente wordt afgewisseld door een glooiend groen mostapijt, waarop tientallen kilometers zwart sediment volgen, af en toe onderbroken door groene kliffen en metershoge bevroren watervallen. Het grote niets; enorm fascinerend, maar bij tijd en wijle ook ontzettend saai.

Bij ons einddoel, het Skaftafell-hotel, wordt ons pijnlijk duidelijk dat we in de winter door IJsland reizen: we staan voor een dichte deur. Veel hotels zijn alleen in de drukkere zomermaanden geopend. Godzijdank werkt de mobiele telefoon hier gewoon, en blijkt de eigenaresse de deur alleen op slot te hebben gedaan omdat zij in de keuken bezig was. Je weet kennelijk maar nooit in deze verlate contreien. Het kokkerellen blijkt echter niet voor de gasten bestemd te zijn. Het restaurant is in deze periode van het jaar gesloten. Voor het avondmaal worden we verwezen naar het tankstation aan de overkant van de weg – hèt ontmoetingscentrum voor de wijde omgeving.

Onze plannen om de volgende dag de gletsjer te beklimmen, vallen in het water. We worden wakker door de storm, die vanuit het noorden over de gletsjer komt waaien, vergezeld van hagel en regenbuien. De gletsjertong die we gisteren nog bijna in zee konden zien eindigen, is geheel uit het zicht verdwenen.

Op goed geluk rijden we tussen de rukwinden door naar de gletsjerlagune veertig kilometer verderop. Zoals de dame van het hotel al zei: het kan hier bij de volgende boerderij al totaal ander weer zijn. Onder een flauw zonnetje vergapen wij ons aan de staalblauwe ijsschotsen die vanaf de gletsjer hun weg naar zee zoeken. Als plotseling twee zeehonden hun kopjes boven water steken kunnen wij ons geluk niet meer op.

Een rondreis op IJsland is niet compleet zonder een bezoek aan de geisers en de Gulfoss-waterval in het binnenland. Zelfs middenin een hagelbui blijken zij nog de moeite waard. In het vulkanische kuuroord Blue Lagoon in het uiterste zuiden van het land merken we niets meer van het winterse weer. Heerlijk dobberend in het warme water weken we temidden van de besneeuwde lavavelden alle kou en onreine stoffen uit ons lijf, om als herboren weer op het vliegtuig te stappen, terug naar Nederland.