Nog gekker

1392

Dat is te gek voor woorden! Of: Het moet niet veel gekker worden! Deze woorden lees je meer en meer in de gratis treinkranten, de brieven van lezers. Je hoort het in het openbaar vervoer. Mensen roepen het met stemverheffing in gesprekken. Ieder tijdsgewricht heeft zijn eigen formules. Niet zo lang geleden had je de uitspraak: tùh gèk! Daarmee drukte je je opperste tevredenheid uit, opgetogenheid, geluk. Maar hoewel volgens de peilingen Nederland de gelukkigste kinderen ter wereld heeft en de meeste mensen die fluitend naar hun werk gaan, zijn er hier ook veel die ‘een kort lontje’ hebben, en in het voorbijgaan veel te vlug hun middelvinger in de lucht steken. Daarop heeft de overheid dan weer een vredelievend alternatief bedacht: een hand opsteken met de palm vooruit. Een ‘zo had ik het niet bedoeld’. Het kan nog beter: terwijl je dit palmgebaar maakt, trek je je hoofd een beetje terug tussen je schouders (en dus niet je schouders omhoog in de richting van je oren, want dat drukt weer minachting uit). Het is ontleend aan de oude Indianen en betekent: Ik geef me over. Niet scalperen. Genade!

Op de voorpagina van de Volkskrant van gisteren staat over vijf kolom een foto van Guus Dubbelman. De aandeelhouders van ABN Amro, in vergadering bijeen om te praten over de toekomst van hun bezit. Een studie in gelaatkunde. Op het podium was ruzie ontstaan tussen twee vrije kapitalisten met een leidende functie. Bijna waren de heren elkaar te lijf gegaan. Nog juist bijtijds was een dame ertussen gesprongen. De aandeelhouders konden hun ogen en oren niet geloven, ook al weten ze dat de directie en de biedende partijen nog meer in petto hebben. Wat denken ze? De meneer uiterst links: Dat is te gek voor woorden. De derde van links: Het moet niet veel gekker worden!

Hoe lang geleden is het begonnen? Al een paar generaties zijn er aan gewend geraakt dat de grote Nederlandse bedrijven, trots van de natie, onder hun kont vandaan aan het buitenland worden verkocht. De textielindustrie verdween naar de lagelonenlanden. Niets aan te doen. Ergens in Twente staat als gedenkteken nog een oude schoorsteen met een ketelhuis. Toen kwam Fokker. Die fabriek had mooie vliegtuigen gemaakt, de G-1, de Friendship, de Fellowship. Na lang hangen en wurgen – daar hebben we het woord ‘doorstart’ aan te danken – werd het bedrijf ‘opgesplitst’. Wat daarna? Albert Heijn? Nadat de Nederlandse president-directeur met de boekhouding in de war was geraakt, kwam er iemand uit Zweden die als redder een dusdanig kapitaal wilde verdienen dat de volkswoede uitbrak. Dat kon de nationale kruidenier niet hebben en dus leverde de Zweed een deel van zijn vermogen weer in.

Een jaar of drie geleden kwamen de Overpeinzingen van S. Montag met de rest van deze krant in handen van een Britse investeringsmaatschappij die zo vlug mogelijk zo veel mogelijk geld wilde verdienen. In financiële kringen werd het als een voltreffer beschouwd. Of en zo ja hoeveel het ermee te maken heeft, weet ik niet, maar de redactie verhuisde van een verdieping in een grachtenhuis naar een soort door George Orwell geïnspireerd aquarium. De president van mijn uitgeverij, die deze geniale zet voor zijn rekening had genomen, vertrok met een groot bedrag naar veiliger oorden. Hij werd opgevolgd door twee niet minder geniale heren die intussen ook verdwenen zijn waarbij ze er niet armer op zijn geworden.

Van het bankwezen heb ik godzijdank geen verstand en ik ben ook geen klant van ABN Amro. Wie mijn bankier is blijft geheim. Wel wil ik in het kort mijn avonturen in een bijkantoor beschrijven. Een keurig kantoor met een receptie, een apparaat waar je je nummer kon trekken, een bankje en drie loketten waarachter vertrouwde dames en heren. Toen werd dit kantoortje verbouwd en was het alleen nog toegankelijk via een sleuf. In de kolere herrie en het stof van de verbouwing trof je dan je vertrouwelingen. Kregen ze een hindercompensatie, vroeg ik. Geen sprake van.

Na een jaar ongeveer ging dit kantoor weer open. Opgeverfd in kalmerende kleuren, een palmboompje in een pot, gezellige wollen frutseltjes en knuffels eromheen, nog één personeelslid en achter haar een videoscherm met jongeren die op moderne en toch beschaafde rock of house aan het swingen waren. Leuk! Hier had ik niets meer te zoeken en ik ging naar een ander bijkantoor dichter bij huis. Daar is alles van hetzelfde laken een pak, ook weer een videoscherm, muziek, een leuk zitje. En één personeelslid. Als er te veel wachtenden zijn is er nog altijd een lange trap met een paar treden waarop je kunt gaan zitten. De nieuwe housestyle.

Ik heb geluk gehad. Mijn nieuwe vertrouweling komt uit Macedonië, spreekt onberispelijk Nederlands en weet ook alles van zijn vaderlandse muziek die opzweept tot krijgshaftigheid. Heeft zijn werkgever ook plannen om te worden opgesplitst, vroeg ik voor alle zekerheid. Nee. Daar had hij niets van gehoord. Toen dacht ik aan onze minister-president die wil dat de VOC-mentaliteit weer over de natie vaardig wordt. Daar heeft hij meteen moeilijkheden mee gekregen. De VOC was een kolonialistische organisatie. Overigens zal die oproep evenveel succes hebben als zijn ‘Fatsoen moet je doen’. Het is andersom. Nu laten we ons zelf koloniseren.