Mag het een onsje minder?

Wat moet iedereen weten? Laat ik eens stevig vloeken in deze geleerde kerk: lang niet alles! In ieder geval veel minder dan de meeste mensen denken dat ze moeten weten (maar niet weten, nooit geweten hebben, en ook nooit zullen weten, ondanks alle goede voornemens, verlopen bibliotheekabonnementen en encyclopedieën, die in de boekenkast stof vergaren.)

Goed, deze ontboezeming mag dan voor sommigen van u bevrijdend werken, maar dat betekent nog niet dat er niets geleerd moet worden. De vraag is echter niet zozeer hoeveel, maar veel eerder wat wel en wat niet.

In het huidige klimaat is het bijna onmogelijk daar een antwoord op te geven. Discussies over kennis – en dat zijn altijd discussies over het gebrek aan kennis – worden bijna exclusief vanuit een specialistisch gezichtspunt gevoerd. Ze verzanden daarom snel in partijdig gekissebis, want wie komt er op voor de algemene zaak? Dit is een rechtstreeks gevolg van de vergaande specialisatie van ons onderwijs en onze maatschappij. De homo universalis, de ondersoort van homo sapiens die Susan Sontag zo mooi definieerde als “geïnteresseerd in alles, en niets anders,” is snel aan het uitsterven. Niemand kan het zich in deze tijd nog serieus veroorloven een alleseter te zijn zonder te worden beschuldigd van dilettantisme en koketterie. (Een mooie zin voor het Groot Dictee der Nederlandse Taal.) Om in de kennisjungle te overleven moet men een gespecialiseerde niche weten te vinden. We zijn net als die miljoenen soorten kevertjes in de Amazone, die slechts op één tropische boomsoort kunnen bestaan.

De dagelijkse roep om meer inhoud in het onderwijs wordt in de kakofonie van verschillende stemmen gesmoord. Dat geldt zowel binnen als tussen de disciplines. Er is een mooie natuurkundige term voor dit verschijnsel: destructieve interferentie. Als verschillende geluidsgolven bij elkaar komen, kan de top van de ene golf het dal van de andere golf uitdoven, met als netto resultaat dat er niets te horen is. (De geluiddempende koptelefoons voor lange vliegreizen werken met dit soort antigeluid.)

Het is een perfect voorbeeld van de klassieke tragedy of the commons uit de economische speltheorie. Voor iedere boer die zijn vee op de gemeenschappelijke meent laat grazen, is er een voordeel om er stiekem een paar extra koeien bij te zetten. Met als gevolg dat het arme grasveldje door overbegrazing snel ter ziele gaat.

De discussie rond de nationale canon heeft dit verschijnsel duidelijk aan het licht gebracht. Frits van Oostrom wees er recent weer met nadruk op in zijn Kohnstammlezing. Het Nederlandse kennistuintje is behoorlijk overgroeid en verwaarloosd. Het staat er allemaal wel – er is echt geen geschiedenisboekje dat Karel de Grote of Willem van Oranje vergeten is – maar het blijft alleen niet plakken. De hoofdzaken worden vaak overwoekerd door irrelevante of inwisselbare details. De canon is een ruïne geworden vol klimop en onkruid.

Dit geldt evenzeer voor de bètavakken, zelfs op beginnersniveau. De eerste natuurles van mijn oudste zoon op de basisschool begon met de gemeentelijke plantsoenendienst. (Het organogram van de gemeentelijke diensten werd nog net niet behandeld.) Daarna werd het tijd voor de wereld van de paddestoel, met daarin natuurlijk ruim aandacht voor de zwamvlok, een begrip dat geen verdere toelichting verdiende. “De wát”, zullen sommigen van u vragen. Ja, daar viel ik als hooggeleerde vader mooi door de mand. “Ha”, zei mijn zoontje lachend, “ik zie aan je gezicht dat je dit ook saai vindt!” En nu maar hopen dat er tussen al die bollen en knollen nog tijd wordt gevonden om de evolutie en het atoom te noemen.

Nee, het wordt hoog tijd voor een stevige schoffel. We lijken een belangrijke pedagogische les te vergeten: kennis dient reliëf te hebben, met een duidelijk verschil tussen hoofd- en bijzaken. Sommige onderwerpen zijn cruciaal, die verdienen dan ook alle aandacht. Andere zijn dat echter niet en dienen alleen voor oriëntatie en motivatie. Durf dat dan ook toe te geven, laat ook eens wat vallen en schep ruimte voor anderen. En de lesstof moet met een psychoanalytische term ‘faseconform’ zijn. Het heeft geen zin subtiele details te schilderen, als de grondlaag nog niet is aangebracht.

Daarom vind ik het debat rond de samenstelling van een canon zo interessant. Omdat het aantal onderwerpen noodzakelijk beperkt is, wordt het belangrijk de keuzes te beargumenteren en appels met peren te vergelijken. Als je serieus van mening bent dat iedereen, echt iedereen – en pas op, dat zijn heel veel mensen – een bepaald onderwerp moet kennen, dan dient de bewijslast bij de indiener te liggen. De scholier is onschuldig aan onwetendheid, tenzij het belang van de ontbrekende kennis in het hof van het publieke debat bewezen is.

Opvallend genoeg klagen de laatste tijd niet alleen ouders en docenten, maar ook scholieren en studenten over het falende onderwijs. Voor hen blijken de echte problemen niet in de eerste plaats bij de gespecialiseerde vakken te liggen, maar juist binnen de algemene vorming. Aankomende studenten scheikunde klagen niet dat ze te weinig over scheikunde weten. Dat soort lacunes kan nog binnen de opleiding worden opgelost. Nee, de drie moeilijke gevallen zijn Nederlands, Engels en wiskunde – vakken die in de algemene bagage thuis horen. Rechtenstudenten klagen dat ze niet in staat zijn een commentaar in correct Nederlands te schrijven; economiestudenten klagen dat ze hun Engelstalige handboeken niet kunnen lezen; aankomende ingenieurs klagen dat ze niet kunnen differentiëren en integreren. Het zijn de ondersteunende vakken, de fundamenten, waar het bouwwerk kraakt. En het betreft dan nog met name de vaardigheden waarvoor het oude grapje opgaat hoe in de concertzaal van Carnegie Hall te komen: oefenen, oefenen, oefenen.

Er zal ruimte moeten worden gemaakt om enkele duidelijk omschreven zaken stevig te onderwijzen. Maar daarvoor moet een hoop onkruid gewied worden. Natuurkundigen kunnen daarbij misschien een bescheiden voorbeeldrol spelen. Ik hoop dat mijn collega’s het me niet kwalijk nemen, maar in mijn beleving reizen zij van alle wetenschappers met de lichtste bagage, eerder met een handzaam rugzakje dan met een twintigdelige kofferset. Het overboord gooien van overtollige ballast wordt enthousiast aangemoedigd. De luie slimme fysicus wordt op de tweede plaats, de ijverige domme op de derde plaats gezet. Misschien komt het wel door de eeuwenoude reductionistische droom om de gehele wereld tot één enkele formule te herleiden. Maar dat betekent niet dat alle fysici leeghoofden of lichtgewichten zijn. Integendeel die rugzakjes bevatten enkele loodzware zaken.

Voor mij kwam de openbaring tijdens een lezing van een levende legende die ik ooit als jong promovendus volgde. Deze coryfee begon zijn voordracht met een eenvoudig voorbeeld te behandelen. Hij deed dat echter op zo’n elementair niveau en in zo’n langzaam tempo, dat ik ging twijfelen aan de nuchterheid of de geestelijke gezondheid van de spreker. Heel rustig, zonder enige schroom werd ons uitgelegd wat we allemaal allang wisten. Maar ineens begon het me te dagen. Dit was geen zaak van voortijdige dementie. Hier werd geen kostbare collegetijd verkwist. Nee, hier werd hard gewerkt. Hier werd zorgvuldig een klimhaak in de muur geslagen, waaraan we ons straks omhoog zouden gaan hijsen. Het was dus niet genoeg dat ik dit eenvoudige voorbeeld herkende. Ik moest het kunnen dromen, van binnen en van buiten, want ik moest hier met mijn volle gewicht aan kunnen hangen. Dan nog graag een paar extra tikjes met de hamer, maestro!

Het klimmen naar boven via enkele goed geplaatste en zwaar verankerde klimhaken is een aantrekkelijk onderwijskundig model. Zaken die je van binnenuit begrijpt, die je als het ware zelf weer van de grond af aan kunt opbouwen, blijven altijd bij je. Toen de bekende theoretisch fysicus Richard Feynman (uit de zeldzame eerste categorie van slim én ijverig) overleed, stond op het schoolbord in zijn kamer bij wijze van laatste boodschap geschreven: What I cannot create, I do not understand.