Jullie het debat, wij het drama

Schrijver Hassan Bahara verklaart zijn eigen buurt: de Amsterdamse wijk Slotervaart, veelbesproken wegens de problemen met Nederlands-Marokkaanse jongeren. „Nederlanders zijn abstract. Daarom kunnen sommige jongeren ze ook zo gemakkelijk beroven.”

Schrijver Hassan Bahara: „Zeggen dat er vrije keuze bestaat voor jonge Marokkanen is een excuus om je niet te verdiepen in hun problematiek” Foto Maurice Boyer Hassan Bahara op het August Allebeplein Foto NRC H'Blad Maurice Boyer 070426 Boyer, Maurice

Er hangt deze zonnige lentemorgen een gemoedelijke sfeer op het August Allebéplein. Dikbuikige mannen met oranje fluorescerende vestjes aan prikken zwerfafval van de straat, bejaarde Nederlandse vrouwen schuifelen gearmd over het plein, vrouwen met hoofddoekjes keuren sinaasappels bij de groenteboer en op een basketbalveldje voetballen wat jongens. Het plein wordt gedomineerd door een vestiging van supermarktketen Lidl. Het vrolijke, veelkleurige gebouw opende in 2003 zijn deuren. Dat was vijf jaar na de gevechten die op het August Allebéplein uitbraken tussen ongeveer honderdvijftig Nederlands-Marokkaanse jongens en de politie. Sindsdien is het plein uitgegroeid tot het symbool van de problematiek rondom jongeren van Marokkaanse afkomst.

Het stadsdeel Slotervaart, waar het August Allebéplein ligt, is door het nieuwe kabinet op de lijst van te renoveren probleemwijken gezet. Mohammed B., de moordenaar van Theo van Gogh, groeide op in deze buurt. Ook de Nederlands-Marokkaanse schrijver Hassan Bahara (28) komt ervandaan.

Zijn vorig jaar verschenen romandebuut, Een verhaal uit de stad Damsko, speelt zich af in een soortgelijke omgeving. Het boek gaat over Kader, een zeventienjarige havo-leerling van Marokkaanse afkomst die zich langzaam bewust wordt van de benepenheid en gevoelsarmoede van zijn omgeving, maar die niet in staat is er aan te ontsnappen. Het boek is getypeerd als de straatversie van Gerard Reves De Avonden, vol hedendaags slang als ‘fokking tatta’s’ (Nederlanders), een ‘frokse’ (fucked-up) wereld en een ‘fittie’ (gevecht) in de tram.

Deze Nederlands-Marokkaanse jongens zijn ook het onderwerp van journaliste en filosoof Fleur Jurgens in haar onlangs verschenen Het Marokkanendrama. Daarin probeert zij de oorzaken bloot te leggen van het criminele gedrag van veel van deze jongens. Het boek kwam tot stand in opdracht van ‘Politie en Wetenschap’, een onafhankelijke onderzoeksgroep van de Politieacademie. Hoe ziet Bahara het Marokkanendrama?

Pizzeria-grillroom Avenida biedt een mooi uitzicht op het August Allebéplein. Bahara zit gebogen over een kom harira, een stevige Marokkaanse soep met lamsvlees en kikkererwten. „Kader heb ik deels gemodelleerd naar mijn eigen jongere broertje. Hij is nu negentien jaar en heeft net zes maanden vastgezeten voor een zeer ernstig delict.” Bahara wil niet zeggen wat zijn broer heeft gedaan. Toen hij vastzat, heeft zijn broer ernstige psychoses gehad. In de roman gebruiken bijna alle jongens het antidepressivum Seroxat. Dat komt overeen met het beeld dat Jurgens schetst van de Nederlands-Marokkaanse jeugd; die zou veel meer dan de autochtone jeugd lijden aan depressies en schizofrenie. Bahara denkt dat er voor de ‘tweede generatie’ Nederlandse Marokkanen speciale parameters gelden: „Ze groeien letterlijk op in een schizofrene wereld. Ze leven in de moderne Nederlandse maatschappij, maar thuis hebben ze ouders die totaal niet op die maatschappij zijn berekend en haar zelfs afwijzen.”

Bahara spreekt uit ervaring: „Ik leefde thuis met mijn ouders en acht broertjes en zusjes in een vierkamerappartement. Het huwelijk tussen mijn ouders is liefdeloos, hoewel er na al die jaren wederzijdse genegenheid is gegroeid. Wij werden niet opgevoed maar verzorgd.” Zijn vader beschrijft Bahara als een autoritaire, ‘te strenge’ man: „Thuis was hij de baas. Hij had geen idee van wat er buiten speelde. Was nauwelijks betrokken bij mijn school. Hij kwam zelden op ouderavonden.”

Op zestienjarige leeftijd raakte Bahara verknocht aan de schrijver W.F. Hermans. „Daar hoefde ik bij mijn vader niet mee aan te komen. Hij heeft, denk ik, in zijn hele leven misschien maar een halve bladzijde gelezen. Nederlands spreekt hij nauwelijks.”

Bahara’s vader volgde de klassieke route van Marokkaanse immigranten: veertig jaar geleden ging hij in Nederland werken in een fabriek, de fabriek werd weggesaneerd en hij belandde met een ‘kapotte rug’ in de WAO. „Gelukkig ging hij elke dag ’s ochtends de straat op. In tegenstelling tot de meeste andere vaders die de hele dag voor de televisie zitten, met de satellietschotel afgestemd op Arabische zenders.”

Vooral een oudere broer heeft geleden onder het autoritaire gedrag van zijn vader. Bahara: „Hij dreigde af te glijden en is door mijn vader op zijn veertiende voor een jaar naar mijn oma in Marokko gestuurd. Het enige wat hij daar deed was klaplopen. Mijn broer voelde zijn verblijf in Marokko als een verbanning, als een afwijzing door mijn vader. Dat het goed met hem is gekomen, komt doordat hij intelligent is. Maar zijn relatie met mijn vader is lang beschadigd geweest.”

Bahara’s moeder had nog veel minder besef van de buitenwereld dan zijn vader: „Ze leefde volledig in een isolement, had een zeer beperkte actieradius, kwam nauwelijks buiten. Daardoor werd ze depressief. Het is binnen de Berbercultuur niet de gewoonte om over psychische aandoeningen te praten. Mensen denken nog eerder dat zij behekst zijn. Mijn moeder zocht voor haar depressies altijd een fysieke oorzaak.” In zijn roman beschrijft Bahara hoe Kader zijn moeder vergezelt naar de dokter. Deze vraagt haar wat er scheelt en zij zegt: ‘Ik ben vaak duizelig. Soms begint het met een tinteling in mijn voeten en dan klimt het omhoog en raakt mijn maag overstuur en word ik duizelig en kan ik niet meer opstaan.’

Bahara: „Nederlandse Marokkanen van de tweede generatie moeten hier altijd vreselijk om lachen. Het is voor hen zeer herkenbaar. Gelukkig gaat het iets beter met mijn moeder. Nu al haar kinderen het huis uit zijn, gaat ze veel vaker de straat op. Ze volgt zelfs een cursus Nederlands. Dat wil niet echt vlotten maar ze heeft er wel vriendinnen gemaakt.”

Bahara ervoer de sfeer thuis als ‘verstikkend’. Dat kwam niet door de islam, die in zijn ouderlijk huis maar een bescheiden rol speelde: „De overgrote meerderheid van Nederlandse Marokkanen praktiseert een soort huis-tuin-en-keuken-islam, zonder veel diepgang. Mijn zussen hebben nooit een hoofddoek gedragen. Mijn vader is met de jaren wel geloviger geworden. Hij heeft pas in Nederland leren bidden.” Zijn religieuze bevlieging trachtte vader Bahara over te brengen op zijn zoons: „Wij werden naar een koranleraar gestuurd. Die man sloeg ons. We zijn drie keer geweest. Daarna spijbelden we. Mijn vader kwam er achter en heeft maar direct een punt gezet achter die lessen. Hij vond het weggegooid geld.” Bahara noemt zichzelf ‘atheïst’. „Dat ben ik eigenlijk altijd al geweest.”

Sommigen van zijn tweedegeneratiegenoten tonen een bovenmatige interesse voor de islam, de volgens Bahara ‘zeer kleine groep’ die na 11 september op internet een eigen islam bij elkaar shopte. „Ik zag na de aanslagen een duidelijke opleving van deze manier van geloven. Sommige jongens lieten plotseling hun baard staan. Maar als ik nu in de buurt kijk, heb ik het gevoel dat dit weer aan het afnemen is. Van Mohammed B. hebben jongeren geen posters op hun kamer hangen, maar zijn daad wordt wel vergoelijkt. Ik zat met mijn oom en neef in de auto toen we het bericht hoorden. Mijn oom keurde de moord af, maar vond wel dat die in Marokko gepleegd had kunnen worden. Theo van Gogh paste perfect in het profiel van de abstracte Nederlander die er alleen maar op uit is om ons Marokkanen te beledigen. Het is onderdeel van de veelbesproken slachtoffercultuur van Marokkanen om de moord te legitimeren. En het past ook bij het anti-Nederlandse sentiment van veel Nederlandse Marokkanen.”

Waar komt dat vandaan?

„De eerste generatie leeft grotendeels volgens de normen en waarden zoals die in Marokko gelden. Hun blik is, net als hun schotelantennes, gericht op de Arabische wereld. Zij vinden Nederlanders onzedelijk. Die eten varkensvlees, drinken alcohol en hebben een vrije seksuele moraal. De eerste generatie heeft ook nauwelijks Nederlands leren spreken, ze kennen geen Nederlanders en leven in een omgeving waar ook veel andere Berbers wonen.”

Maar de tweede generatie geeft evenmin blijk van veel liefde voor Nederland.

„De eerste generatie heeft haar eigen kinderen van jongs af aan geleerd om de Nederlandse maatschappij te wantrouwen. Aangezien die tweede generatie ook nauwelijks Nederlanders kent, is het makkelijk om hen te depersonaliseren. Nederlanders zijn abstract: de overheid, hulpverleners en de leraar die na elke schooldag in zijn auto stapt naar zijn huisje ergens ver weg van Amsterdam-West.”

Maar hulpverleners, leraren, de overheid doen toch hun best?

„Het heeft volgens mij voor een groot deel te maken met de slachtoffercultuur van de Berbers die Jurgens beschrijft in haar boek. Ze denken al snel dat Nederlanders de pik op hen hebben. Veel Berbers van de tweede generatie hebben geen idee van Nederlanders. Daarom kunnen sommige jongeren ze ook zo gemakkelijk beroven. Ik kende ook geen Nederlanders. Toen ik jong was, dacht ik dat ze met hun schoenen aan in bed sliepen. Ik leerde pas Nederlandse leeftijdgenoten kennen toen ik in Diemen aan Hogeschool InHolland tekstschrijven ging studeren. Ik was de enige Marokkaan en wist aanvankelijk niet hoe ik met Nederlanders moest omgaan. Hun humor was anders, ik vond ze lomp en heel erg bijdehand tegenover de leraren. Ik heb pas Nederlandse vrienden gemaakt toen ik in Zwolle journalistiek ging studeren.”

Hoe wordt er aangekeken tegen mensen als Ahmed Marcouch, deelraadvoorzitter van Slotervaart, en Ahmed Aboutaleb, staatssecretaris van Sociale Zaken? Ze ontzien de Nederlandse Marokkanen niet.

„Wie zich buiten de eigen kring begeeft, succes heeft in de ‘Nederlandse’ maatschappij, wordt gewantrouwd. Marcouch en Aboutaleb zijn niet populair. Ik vind dat diep triest. Ze zijn goud waard.”

Dragen de media bij aan de tegenstelling tussen allochtonen en autochtonen?

„Niet in de zin dat Nederlands-Marokkaanse jongens crimineel worden dankzij de media. Maar dat betekent niet dat de berichtgeving over hen altijd even genuanceerd is. Na de moord op Theo van Gogh werd de buurt overstelpt door cameraploegen. Ook Netwerk had een reportage gemaakt. Een onheilspellend commentaar over moslimextremisme ging gepaard met dreigende muziek terwijl er werd ingezoomd op een groepje jonge Nederlandse Marokkanen. Dat zijn ze dus. In een flits zag ik mijn eigen jongere zusje Fatima. Zij volgt nu een opleiding aan de Hogeschool van Amsterdam.”

Bahara meent dat het debat over het Marokkanendrama te veel wordt gevoerd over de hoofden van de Nederlandse Marokkanen heen: „Wij hebben het drama, jullie het debat.”

Waarom mengt de tweede generatie zich nauwelijks in dat debat?

„Ik ben ervan overtuigd dat dat vaker zal gaan gebeuren. De generatie Nederlands-Marokkaanse schrijvers boven mij heeft zich tamelijk afzijdig gehouden van het debat. Zij voelen zich niet verantwoordelijk voor het drama, willen er niets mee te maken hebben. Misschien ook omdat het zich pas de afgelopen jaren in zijn volle omvang heeft geopenbaard.”

Sociale omstandigheden worden steeds minder als oorzaak van ontsporing gezien. Jonge crimineeltjes hebben immers een keuze: ze hoeven die vrouw toch niet te beroven?

„Ik vind dat gemakzuchtig. Een extreem voorbeeld: boven mijn ouders woont een jong gezin. De vader is een klaploper, alcoholist en drugsdealer die vaker in de cel zit dan bij zijn kinderen thuis. Hij slaat zijn vrouw en kinderen regelmatig total loss. Zijn zoontje is onhandelbaar en is al voor zijn twaalfde verschillende keren opgepakt. Hoe kun je het tegen zo iemand hebben over ‘vrije keuze’, als hij niets dan ellende thuis heeft gekend, als hij in zijn boosheid en frustratie wordt gevoed door jongens die er net zo aan toe zijn als hij? Zeggen dat er zoiets als vrije keuze bestaat voor dit soort jongens, is een excuus om je niet te verdiepen in hun problematiek. De ontsporingen houden verband met het sterke anti-Nederlandse sentiment, met ouders die geen idee hebben wat er op straat en op school gebeurt en met de extreme sociale controle.

„Het voorstel ouders hun kinderbijslag af te pakken wanneer ze niet willen ingrijpen bij crimineel gedrag van hun zonen is contraproductief. Daarmee creëer je geen liefde voor de Nederlandse samenleving. Jurgens profileert zich in haar boek als een eenzame strijder die tegen de stroom in moet zwemmen van de politiek-correcte denkers van de linkse kerk. Het is zo modieus om dat te zeggen. Het is tegenwoordig juist heel politiek correct om politiek incorrect te zijn.”

Maar is Nederland niet te lang te soft geweest voor criminele Marokkaanse jongeren?

„Dat geloof ik wel. Maar kom met oplossingen die werken. Grijp in bij jonge jongens die dreigen af te glijden. Lik op stuk. De opvoeding zal vaak niet komen van de ouders. Houd daar rekening mee.”

Bahara denkt dat goed onderwijs ook een cruciale rol speelt om Nederlands-Marokkaanse jongens op het rechte pad te houden: „Ik zat op het Hervormd Lyceum West. In de brugklas las de rector elke ochtend tien minuten voor uit de bijbel. Iedereen was dan altijd muisstil. Ik vond het HLW een uitstekende school. Leraren hielden zich er nog ouderwets bezig met kennisoverdracht. Het waren ook bijna allemaal academici. Toen de leraar Engels ziek werd, kregen we twee weken een vervanger. Iemand die rechtstreeks van de lerarenopleiding kwam en zelf voortdurend dt-fouten maakte. Het is daarom net zo goed een ‘drama’ dat academici tegenwoordig minder snel kiezen voor het onderwijs. En als ze al kiezen voor het onderwijs, vinken ze niet als eerste die leuke zwarte school aan in probleemwijk Slotervaart.”

Volgens Bahara is zo’n wijk ook bij haar bewoners weinig geliefd. „Nederlandse Marokkanen willen ook liever in een vinexwijk wonen. Het is onzin te denken dat Berbers graag samenhokken. Weinig mensen wonen hier voor hun plezier. De sociale controle is verstikkend. Zodra mensen een goede baan hebben, vertrekken ze naar een vinexwijk, blij verlost te zijn van die benepen, roddelzieke cultuur. Ik zie het nu al aan mijn neefje van zestien in Almere. Bij hem leven geen anti-Nederlandse sentimenten. Daarbij gaat mijn zus wel naar ouderavonden, is ze betrokken bij de school. In tegenstelling tot al die ouders van de eerste generatie die geen benul hebben van het Nederlandse onderwijs. Je ziet het nog beter bij mijn neefje van vier. Die woont in Hoofddorp en gaat naar groep één van de lagere school. Hij weet gewoon niet beter dan dat Nederlanders zijn vrienden zijn. Ik denk dat ‘het Marokkanendrama’ vooral het drama is van de tweede generatie. Je ziet nu al dat steeds meer Nederlandse Marokkanen een goede opleiding volgen, hun plek vinden op de arbeidsmarkt. Misschien is het drama bij de vijfde generatie grotendeels verdwenen.”