‘Je wilt de ander zien als mens, niet als monster’

‘We hebben beiden onze zoon verloren. Greg was 31 en is dood. Hij overleed bij de aanslagen op het World Trade Center. Aicha’s zoon Zacarias leeft. Toch is ook zij hem kwijtgeraakt. Eerst aan Osama bin Laden. En nu zit hij in levenslange eenzame opsluiting in de VS. Met behulp van een Franse advocaat probeert ze hem zo goed mogelijk te helpen. Ze hebben onlangs verzocht om zijn uitlevering aan Frankrijk.

Zacarias Moussaiou werd al kort na de aanslagen bekend als ‘de twintigste kaper’. Hij werd beschuldigd van samenzwering in verband met de aanslagen, ook al zat hij op elf september vast wegens een visumovertreding. Zacarias had vlieglessen genomen en werd in verband gebracht met Osama bin Laden. Hij zag Amerika als zijn vijand. De pers verklaarde hem schuldig voordat er bewijs was en het publiek geloofde het. Men zocht een zondebok. Er leefde een sterke behoefte om iemand terecht te kunnen stellen voor de aanslagen.

Ons leven was een puinhoop. We verkeerden in een shocktoestand. De eerste zeven weken na de aanslagen voelde het alsof we verdoofd waren door een narcose. Het leek allemaal niet waar en soms is dat nog zo. We hebben vier jaar in een crisis gezeten. Na de eerste weken konden we de buitenwereld niet meer om ons heen verdragen – alleen nog maar naaste familieleden. We hebben de stekker uit de televisie getrokken, later hebben we hem weggedaan.

De reactie van de regering-Bush baarde ons direct zorgen. De algemene stemming in het land was: we gaan ze pakken! Dat was niet onze reactie. Mijn man Orlando en ik dachten er precies hetzelfde over. Voor ons gevoel zou het nergens toe dienen om Afghanistan binnen te vallen en nog meer onschuldige burgers te doden. Sterker nog: door de dood van Greg hadden we nog meer compassie met mensen die hun kinderen zouden verliezen.

Drie of vier dagen na de aanslagen stuurden we een brief naar The New York Times. ‘Not in our sons name’, stond er boven. We verzetten ons in die brief tegen misbruik van de dood van onze zoon om een gewelddadige wraakactie te billijken. We vroegen de natie om in plaats daarvan te denken over een rationeel antwoord dat vrede en gerechtigheid kon bevorderen. De brief raakte zoek bij The New York Times. Een vriend van ons verspreidde hem via e-mail en het internet over de hele wereld. Zo kwamen we in contact met gelijkgestemde familieleden van slachtoffers en met vredesgroepen.

Het steunde ons enorm te weten dat we niet de enigen waren die er zo over dachten. Het gaf ons hoop. We hadden het gevoel dat we iets konden betekenen. Die eerste weken gaven we veel interviews. Een vreemd bestaan: terwijl mijn leven in duigen was gevallen kon een deel van mij toch helder denken.

Ik wist natuurlijk niet in hoeverre Zacarias Moussaiou betrokken was bij de aanslagen. Maar uit wat ik las, concludeerde ik dat hij niet de twintigste kaper had kunnen zijn. Het is geen lieverdje, maar ze konden hem op geen enkele manier feitelijk in verband brengen met de aanslagen. Hij was een ongeleid projectiel, die zijn eigen missie had en de 9/11-plegers niet kende. Men zocht een zondebok. Hij is de enige die vanwege de aanslagen in de VS voor de openbare rechtbank is verschenen. Degenen die werkelijk iets wisten, zijn om veiligheidsredenen in het diepste geheim achter gesloten deuren militair berecht.

Ik vond dat, als hij misdaden had begaan, hij gestraft moest worden. Maar dan wel na een eerlijk en open proces. Dit werd een politiek showproces, waarbij waarschijnlijk de doodstraf geëist zou worden. Dat zou nooit zijn gebeurd als de aanslagen niet hadden plaatsgevonden. Bovendien vind ik het onverdraaglijk dat wij met goedkeuring van de staat mensen doodmaken, omdat ze niet goed zijn of geacht worden nooit goed te worden. Het bedreigt het voortbestaan van een humane samenleving.

Ik kom uit een links New Yorks milieu. Thuis spraken we altijd over politiek. Negen jaar was ik toen Julius en Ethel Rosenberg in 1952 geëxecuteerd werden wegens spionage voor de Russen. Ik heb het heel bewust meegemaakt. Ik was er ondersteboven van en vond het angstaanjagend. In de McCarthy-periode voelde ik de geheimzinnigheid en de angst die ons omringden. Met de communistische denkbeelden van mijn familie wilden anderen niet in aanraking komen, uit angst hun baan te verliezen.

Als ik ergens van overtuigd ben, ben ik bereid om tegen de stroom in de roeien. Door de ondergang van het communisme en alles wat er daar aan misstanden is bovengekomen, ben ik geweldloosheid steeds belangrijker gaan vinden. Ik deed al mee aan protesten tegen de doodstraf. Maar na de aanslagen voelde ik dat het extra betekenis heeft als ik, moeder van een slachtoffer, me daarover uitsprak.

Naar aanleiding van de beschuldigingen aan het adres van Zacarias schreven Orlando en ik opnieuw een brief. Daarin spraken we ons uit tegen de doodstraf. De publicatie daarvan in The New York Times bracht ons in contact met de Murder Victims Families for Reconciliation, nabestaanden van moordslachtoffers die de doodstraf bestrijden. Via hen hoorde ik in 2002 dat Aicha el-Wabi, de moeder van Zacarias, contact wilde met familieleden van de slachtoffers. We konden slechts gissen naar haar bedoelingen. We vreesden dat ze ons wilde vragen om op te komen voor haar zoon in de rechtszaak. Met negen andere familieleden van 9/11-slachtoffers heb ik haar toen ontmoet. In het opperste geheim, want het was nog maar een jaar na de aanslagen; de sfeer in de VS was doordrenkt van wraakzucht. Daar waren we niet tegen opgewassen. We wilden liever werken aan vrede.

Iedereen was nerveus. Maar Aicha wilde alleen maar contact. Iedereen vertelde over zichzelf, over wat er was gebeurd met onze familieleden, hoe we over onze regering dachten en over de bombardementen in Afghanistan. We praatten. We aten samen. Het was emotioneel.

Greg is dood. Daarvoor heb ik altijd veel medeleven van anderen ondervonden. Aicha maakt het tegenovergestelde mee. Deze vrouw moet enorm lijden, dacht ik. Haar zoon wordt gezien als de duivel in eigen persoon. Ik was de enige in het groepje familieleden die een kind in de aanslagen had verloren. Ook daardoor kon ik met haar verlies en verdriet meevoelen. En ik had bewondering voor haar moed met ons contact te zoeken.

In het begin stuurden we elkaar een of twee keer per jaar een kaartje of een e-mail. Die moesten eerst vertaald worden, want we spraken elkaars taal niet. Toen ineens, in april 2005, bekende Zacarias. In 2006 zou alleen nog een zaak volgen om zijn strafmaat vast te stellen. Ik besloot het contact met Aicha te intensiveren en Frans te leren. Ik vond dat ik haar moest helpen in deze voor haar zo zware tijd en heb haar tijdens haar verblijf in de VS ondersteund zoveel ik kon. We brachten veel tijd samen door en leerden elkaar beter kennen.

Onze achtergronden verschillen enorm. Aicha is geboren in Marokko, waar ze als veertienjarige werd uitgehuwelijkt aan een oudere man. Nauwelijks vijftien jaar oud kreeg ze haar eerste kind. Haar man was aan de drank en mishandelde haar. Later, in Frankrijk, had ze de moed om van hem te scheiden. Haar vier kinderen, die ze niet kon onderhouden, bracht ze naar een weeshuis. Haar twee dochters hebben psychiatrische problemen. Zacarias is in het moslimfundamentalisme ondergedoken. Haar andere zoon heeft na de aanslag een boek geschreven en schuift haar de schuld van de radicalisering van Zacarias in de schoenen.

Maar zij draagt geen schuld. Ik ga ervan uit dat ze, net als ik, het beste heeft gewild voor haar kinderen. Ik sta open voor haar verhaal. En zo probeer ik ook naar haar zoon te kijken. Dat is vergevingsgezindheid. Je probeert te begrijpen waarom hij heeft gedaan wat hij heeft gedaan. Je wilt de ander zien als een mens, niet als een monster.

Ik heb er jaren over nagedacht of ik – als dat kon – ook bereid zou zijn zo’n contact aan te gaan met een van de kapers die de dood van Greg veroorzaakt heeft. Ik denk nu van wel. Ik zou willen vertellen hoe het voor mij is. En willen weten waarom hij het heeft gedaan. Als die persoon dat niet zou willen vertellen of als het hem allemaal niets kon schelen, dan zou ik teleurgesteld zijn. Maar dan heb ik het tenminste geprobeerd.

Ik draag mijn ideeën uit in het Forgiveness Project, waarin ik uitleg hoe ik door te vergeven probeer mij met mijn verdriet te verzoenen. Ik krijg nauwelijks negatieve reacties, hooguit van mensen die mij beter kennen. Mijn buurvrouw heeft me er ooit op aangesproken. Ze begrijpt het niet, ook niet na mijn uitleg. Sindsdien laten we het onderwerp rusten. We moeten immers met elkaar leven. En mijn zus vindt dat ik de nagedachtenis aan Greg bezoedel.

De vriendschap met Aicha ontwikkelt zich. Ik heb haar in haar woonplaats Narbonne bezocht, we hebben elkaars vrienden ontmoet. En vandaag ben ik op weg naar Wenen, waar we beiden zullen spreken op een bijeenkomst van Women without Borders, een organisatie die probeert de vrede te bevorderen.

Jezelf open stellen voor anderen neemt wantrouwen weg. Het is de enige weg naar een betere wereld. En het helpt mijzelf ook. Mijn zoon is dood. Maar ik leef. Ik moet verder.’

Opgetekend door Angela Rijnen