In het getoeter de wanhoop

Het is zover: er wonen wereldwijd meer mensen in de stad dan op het platteland. Nergens groeien steden zo hard als in Afrika. Neem Lagos. „Maak niet meer dan één afspraak per dag. Voor de overige uren sta je vast.”

De rook is al van kilometers afstand te zien. De motor van de gele taxi brandt als een haardvuur. De chauffeur staat er hoofdschuddend naar te kijken, terwijl het verkeer zich woedend om hem heen wurmt. ‘God’s decision’ staat er op het achterraam van zijn taxi. Wat zal zijn, zal zijn. In de hitte, het rumoer en zwarte rookwolken duikt een jeugdige straatverkoper op. Zijn gezicht druipt van zweet, zwart van de uitlaatgassen. Alleen de badhanddoeken die hij verkoopt – met Walt Disney’s vrolijke creatie Tweety erop geprint – hebben hier nog kleur.

Welkom in Lagos, miljoenenstad, bijeengehouden door files. Stad zonder begin en zonder einde. Files verbinden de drie eilanden van deze stad, Victoria, Lagos en Ikoyi, met het immense Afrikaanse achterland. Die files zijn er van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat, als de grijze tropenlucht erboven rood kleurt van de smog. Ervaren bezoekers waarschuwen je van tevoren. „Maak niet meer dan één afspraak per dag. Voor de overige uren sta je vast.”

In de files van Lagos rijden de afdankertjes van Europa – gele stadsbussen uit Aalsmeer of witte schildersbusjes met Nederlandse reclames erop. Auto’s die thuis zijn afgekeurd om het ontbreken van een katalysator en andere APK-voorschriften. Acht, negen auto’s dik zijn de files – deur aan deur probeert het blik zich op een vierbaansweg te persen. Er zit geen auto zonder krassen of deuken tussen. Dit zijn files vol ronkende vrachtwagens naast glimmende terreinwagens, ezelskarren, gele taxi’s, zo vol dat passagiers met hun kont uit het raam steken of moeten surfen op de achterbumper.

Deze files baren steeds weer nieuwe files, rond onverwachte ongemakken. Ook de oude Mercedes die ons door de stad rijdt, begeeft het. De avondspits achter de auto toetert zich om het obstakel heen. Claxonneren is hier een manier van praten: ‘ik heb geen tijd voor jouw ongemak’. In het getoeter hoor je de wanhoop van deze stad, van bewoners die vooruit willen maar niet kunnen.

Zo toeterde de file zich een dag eerder langs het levenloze lichaam van een man, die halfnaakt op de autobaan richting de luchthaven was gevallen. Het verkeer behandelde het lijk als een hindernis te midden van al die andere, op weg naar huis of werk. Als een gat in de weg, een stilstaande auto. Wie het lijk opraapt, luidt de waarschuwing, is verantwoordelijk voor zijn ziel en zijn begrafenis.

„De straalpomp is kapot”, bromt de chauffeur, gebogen over de rokende motor van de oude Mercedes. Kom maar eens aan een nieuwe, in deze file, in dit deel van de stad. Maar binnen twee minuten staat er een jongen naast de auto met een pompje in zijn hand. Onder de brug waar we stilstaan, blijkt een markt voor tweedehands auto-onderdelen te schuilen, met krukassen, schokbrekers, bumpers, banden. En straalpompjes. Ze noemen die onderdelen wel ‘Tai-one en Tai-two’, goedkope Aziatische imitaties. Ze worden verkocht door zwervers en bedelaars, die de files aflopen. Files zijn hun levensader. Nigerianen doen hun boodschappen in de ‘go-slow’. De file ís de markt. De stalletjes in de berm van de weg persen de auto’s nog dichter op elkaar. Alles vecht hier om ruimte: de auto’s, de verkopers, de krotten en het vuil dat deze megacity dagelijks produceert. Straatverkopers zigzaggen tussen de auto’s door, met alle denkbare goederen. Van aanstekers tot tv-antennes en zonnebrillen. Van pinda’s tot porno.

Dit is een stad waarin de bewoners ondanks de afwezigheid van een functionerend stadsbestuur toch vooruitkomen. Dit is een stad die werkt terwijl niks werkt. Lagos is chaos, maar georganiseerde chaos.

Een halve eeuw geleden was deze stad nog het thuis van driehonderdduizend mensen. Nu wonen er dertien miljoen. In 2015 is dit de op twee na grootste stad ter wereld, voorspellen de Verenigde Naties. Na Tokio en Mumbai. Lagos is nu al de op drie na dichtstbevolkte plek ter wereld (zie kader). Lagos schetst een toekomstbeeld van de wereld: volgens de Verenigde Naties wonen voor het eerst in de geschiedenis meer mensen in de stad dan op het platteland. Nergens ter wereld groeit die stadsbevolking zo hard als in Afrika, waar binnen veertien tot achttien jaar de stadsbevolking zal verdubbelen. Wie gaat dat regisseren?

De plek waar de oude Mercedes stil is komen te staan heeft uitzicht op een kantoorgebouw in Broad Street, het hart van het zakendistrict op Lagos Eiland. We hebben de taxichauffeur de afgelopen dagen steeds weer gevraagd terug te gaan naar die flat van negentien verdiepingen hoog. We noemen het de gedeukte schoenendoos. Tijdens een geweldige regenbui vorig jaar zijn de bovenste acht verdiepingen zomaar ingestort, gevolg van een fatale combinatie van water, malafide bouwpraktijken en onverschilligheid. Er viel wonder boven wonder slechts één dode. Vierentwintig mensen raakten gewond. De schrijver Chimamanda Ngozi Adichie beschreef eens hoe dat gaat, zo’n reddingsoperatie in Lagos. „De mensen onder het puin bellen hun familie met mobiele telefoons. Eerst sterven de batterijen van de telefoons. Dan de mensen zelf. Reddingswerkers arriveren twaalf uur na de instorting. Vervolgens staken ze om middernacht hun werkzaamheden, om thuis te gaan slapen en pas de volgende ochtend weer terug te keren.”

Een jaar later bungelen de betonnen steunbalken nog altijd aan weerszijden van het gebouw, aan roestende stukjes betonijzer. Voetgangers in Broad Street worden nog wel eens geraakt door vallend puin, maar de gemeenteraad van Lagos is er nog steeds niet uit wat er met de ruïne moet gebeuren. In dit gebouw, lees ik later, huisde tot de instorting de Nigeriaanse Ontwikkelingsbank.

De overheid heeft de handen van deze stad afgetrokken. Dat is niet altijd zo geweest. Er was ooit een masterplan voor deze stad. Dat werd in de jaren zeventig bedacht door het stadsbestuur van Lagos, bouwbedrijven en het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties. Vierbaanswegen zouden de 35 districten in de stad met elkaar verbinden. Ieder district zou zijn eigen functie krijgen, van woonwijk tot industriegebied. Er zou een metrosysteem komen en een veerdienst. Het Duitse bouwbedrijf Berger legde de wegen aan, maar de rest van de plannen ging ten onder in de bloedige staatsgreep van 1983. De militaire dictators die de volgende zestien jaar het land bestuurden, keken nooit meer naar Lagos om.

„De dictaturen hebben Lagos leeggeroofd en gebruikt voor hun persoonlijke verrijking. Maar niet alleen de militaire dictaturen. Iedereen stelt hier zijn persoonlijke belangen boven het gemeenschappelijk belang.” Zo ziet professor David Aradeon, hoogleraar architectuur aan de Universiteit van Lagos, het. „Lagos ontbeert iedere regie.”

De professor gidst ons over de Third Mainland-brug, de twaalf kilometer lange snelweg die Lagos Eiland met het vasteland verbindt. De langste brug van Afrika, zeggen Nigerianen trots. „Bridge under Investigation”, waarschuwen vermolmde borden om de honderd meter. Ingenieurs hebben ontdekt dat de brug vervaarlijk vibreert en ieder moment kan instorten onder het gewicht van de dagelijkse files. Maar reparaties zijn sinds de aanleg in 1990 nooit uitgevoerd. „Als deze brug het begeeft, is alles voorbij. Dan komt Lagos voorgoed tot stilstand”, zucht de professor.

We stoppen op een viaduct over de wijk Adeniji. Dit is een wijk die ooit bedoeld als park, maar overgenomen door krotbewoners. Het vuil groeit tot aan het beton van de snelwegen. De meeste Afrikaanse steden hebben een plek voor armoede. Wie die niet wil zien, hoeft die niet te zien. Zo zijn in het gesegregeerde Johannesburg de armen in veertig jaar apartheid naar de randen van de stad verdreven. Die wijken heten townships en zijn onzichtbaar vanuit de loofrijke buurten in het noorden van de stad. In Zimbabweaanse steden als Harare en Bulawayo noemen ze dat ‘the high density suburbs’, in Angola musseques. Maar in Lagos heeft de armoede in het diepst van het centrum wortel geschoten. De krotten kruipen tussen de kantoorgebouwen door. Ze groeien zelfs op het gitzwarte water van de lagune die Lagos overal omklemt. Makoko is een buurt van huizen op stelten. Dit is een wijk vol vissers, houtzagers en vuilprikkers voor wie in de geglobaliseerde economie geen plaats is. In deze wijk zal waarschijnlijk niemand ooit een universitaire opleiding afmaken, beursanalist worden of computerprogrammeur. Een wijk vol bewoners die niet meedoen aan de officiële economie, maar hun inkomen vergaren op de informele markt. Net zoals inmiddels een miljard andere armen in de rest van de wereld.

Zo gauw we uit de auto stappen in Adeniji worden we vanonder het viaduct bekogeld met stenen. Area boys. Dit zijn de gangsters die iedere vierkante meter van deze stad opeisen als hun persoonlijk eigendom. Ze wonen aan de voet van de betonnen pijlers die de bruggen en snelwegen op poten houden. Ze staan naast je, voor je er erg in hebt. „20.000 naira”, schreeuwt er één. „Voor iedereen die in ons gebied komt stil te staan.” Hij trekt zijn T-shirt omhoog en slaat op zijn buik. „We hebben niks te eten. Jij moet betalen.” 150 euro dus alsjeblieft.

Terwijl de één met ons onderhandelt over de betaling, bespringt een ander een vrachtwagen die tergend langzaam de brug komt opgekropen. De chauffeur graait verveeld in zijn borstzak. Zo ging het de vorige brug ook al. Zo zal het de volgende brug gaan. Wie de onofficiële belastinginspecteurs van Lagos niet gehoorzaamt, verliest een spiegel of een ruitenwisser.

De area boys opereren binnen een goed georganiseerd netwerk. Tachtig procent van hun inkomsten moet worden afgedragen aan de area father. Op zijn beurt draagt de area father weer een percentage af aan zijn oga, zijn leider, meestal de oudste in de wijk. Zo draagt hier iedere zwerver, iedere marktkoopman, iedere taxichauffeur, iedere zakenman en iedere politicus altijd weer af aan de oga boven hem. Zo wordt hier in Nigeria geld rondgepompt, zonder dat er iets wordt geproduceerd.

In zijn boek Reis naar de einden der aarde (1996) stelt de Amerikaanse journalist Robert Kaplan onheilspellende vragen. „Als de sloppenwijken en bidonvilles die over de hele wereld als paddestoelen uit de grond schieten maar die op geen enkele kaart te vinden zijn, nu eens veel belangrijker zijn voor de toekomst van de beschaving dan veel grote steden en welvarende voorsteden die wel op de kaart staan? Als het gebied dat beheerst wordt door guerrillalegers en stadsmaffia’s – gebied dat nooit op kaarten is te zien – nu eens belangrijker is dan het gebied dat wordt geclaimd door veel erkende staten? Als Afrika (…) belangrijker is voor ons verleden en onze toekomst dan Europa en Noord-Amerika?” Tweederde van de wereldbevolking woont inmiddels in Afrika, Azië en Latijns Amerika – niet die continenten, maar Europa en de Verenigde Staten zijn de einden der aarde.

De staat bestuurt niet meer in Nigeria. De staat steelt. Meer dan 350 miljard euro aan olie-inkomsten verdween in de zakken van de elite in de veertig jaar onafhankelijkheid van Nigeria. Dat is vier keer zoveel als de internationale hulp die in dezelfde periode aan Afrika werd gegeven.

Zonder hulp van de staat, moet het volk zichzelf besturen. In de Nigerdelta gijzelen gewapende jongeren werknemers van oliebedrijven om hun deel van de opbrengst op te eisen. In Johannesburg steelt de jeugd met getrokken pistolen dure auto’s. In het Midden-Oosten plegen extremisten aanslagen tegen westerse doelen en hun corrupte handlangers aan de macht. En in Lagos innen de area boys hun eigen werklozenuitkering. In tijden van verkiezingen, zoals deze week, verdienen ze zelfs extra. Politieke partijen betalen de area boys dan in ruil voor orde en veiligheid tijdens de campagne.

Zelfs de vuilnisbelt functioneert hier als een onafhankelijke staat. We bezoeken de stortplaats van Ojata, in het hart van de stad. De meeuwen wijzen de weg. Dit is een woon- en werkplaats voor meer dan driehonderd Nigerianen. De poortwachter vraagt, voordat hij de slagboom opendoet, om een paar naira. Jongens met afgeknipte spijkerbroeken speuren door het afval. Iedereen heeft hier een functie, vertelt Abubakar, een jongen die met een metalen draagblad op zijn hoofd over de rokende vuilhopen loopt. Hij heeft een memory-stick om zijn nek. „Voor computers”, zegt hij erbij. Hij zoekt naar koperdraad: 350 naira voor een kilo. Zo’n twee euro. Zo zoeken hier verschillende teams, naar verschillende grondstoffen. Het aluminiumteam. Het nylonteam.

In Lagos groeien steeds weer nieuwe dorpen. Elk jaar dijt de bevolking met 6 procent uit door nieuwkomers van het platteland. Lagos is een stad van boeren, zoals Peking. Zelfs in de stad blijven zij doen wat ze deden op het platteland. Huisvrouwen gooien hier hun afwaswater van zeshoog door het raam naar buiten. Alsof ze op de boerderij zijn.

Voor de boeren is Lagos een apocalyps met een onweerstaanbare verlokking. In de stad is alles beter bereikbaar. In de stad kunnen de zieken het ziekenhuis tenminste nog op tijd bereiken. In de stad zijn de dokter, de stroom, het toilet en de waterleiding altijd dichtbij.

Lagos is een stad van dromen. Dertien miljoen inwoners hopen hier op de dag dat alles beter wordt. Voor dat godswonder richten ze zich op de kerken. De charismatische pinkstergemeenten bieden onderdak aan iedereen die zich in deze megastad verdwaald voelt. En dat is iedereen. De kerk is als het dorp, waar iedereen op iedereen past. Dit dorp in de stad, veilige haven, vind je hier tussen kantoorgebouwen, langs de afslag van de snelweg, of op het strand.

„Mijn moeder was ernstig ziek, ze kon niet meer lopen”, legt Victor uit, op het strand van Victoria Island. Achter hem hebben mannen en vrouwen in witte gewaden hun provisorisch gebedshuis opgericht in de naam van de Christ Embassy. Ze aanbidden hier de goden van de zee. „Op de dag dat ik me bij deze kerk aansloot, liep mijn moeder weer. En ineens had ik zelf ook geld in mijn zak.”

Lagos is de stad van God. Hier zal men het maken, in de naam van Jezus.

De chauffeur krijgt de oude Mercedes niet meer aan de praat. Hij wordt uiteindelijk weggesleept door een andere oude Mercedes, met een kabel die we kopen op de markt, onder de brug. Terwijl hij door het verkeer getrokken wordt, luistert de chauffeur naar de cassette die hij elke dag op heeft staan. Muziek van Fela Kuti, over zijn stad, in het Nigeriaanse steenkolenengels. „Every day my people dey inside bus”, zingt hij, 49 zitten er, 99 staan er, ingeblikt als sardientjes. „Shuffering and Shmiling.” Ze lijden en lachen.