Hollandser kan niet: ABN Amro wortelt in VOC

Op 26 maart 1990, de dag dat de fusie tussen ABN en Amro wereldkundig werd gemaakt, gingen beide raden van bestuur uit eten in Amsterdam. De partijen hadden afgesproken elkaar iets te geven nu de deal beklonken was. Toen ABN voorzichtig informeerde bij Amro hoe groot het cadeautje zou zijn, was het antwoord: twaalfvijftig. De ABN’ers maakten er 20 gulden van en kochten dure bonbons. Tijdens het diner kregen de zeven bestuurders van ABN gouden manchetknopen van hun nieuwe collega’s. Waarde: 1.250 gulden.

De anekdote over het cadeau, vermeld in het overzichtswerk Wereldwijd bankieren, ABN Amro 1824-1999, toont het cultuurverschil tussen de banken. De Algemene Bank Nederland was voorzichtiger en zuiniger dan de Amsterdam-Rotterdam Bank. Deftiger, groter en belangrijker ook. Dat kwam doordat de rechtsvoorganger van de ABN, de Nederlandsche Handel-Maatschappij, altijd dicht bij de macht had gezeten. De NHM was in 1824 door koning Willem I opgericht om de tijdens Napoleon in het slop geraakte handel met Nederlands-Indië weer op gang te brengen. Daartoe werd in 1830 het Cultuurstelsel ingevoerd: de kolonie moest bij wijze van belasting goederen leveren aan Nederland. De NHM, die optrad als bemiddelaar voor de regering, was meer een handelsfirma dan een bank.

„De NHM wordt wel beschouwd als een voortzetting van de Verenigde Oost-Indische Compagnie, die in 1799 failliet was verklaard”, aldus Ton de Graaf, onderzoeker van het Historisch Archief van ABN Amro en mede-auteur van de ABN Amro biografie. „Ook dat was een particuliere onderneming met aandeelhouders – onder wie de stadhouderlijke familie – die op diverse plaatsen in de wereld optrad als vertegenwoordiger van de Republiek.”

Als gevolg van het groeiend kapitaal in het florerende Nederland kreeg de NHM in de tweede helft van de negentiende eeuw veel concurrenten. In 1863 werd de Rotterdamsche Bank opgericht, in 1871 de Amsterdamsche Bank. Het waren vooral ondernemers die bankierden. Zo had de Twentsche Bankvereeniging (1861) veel textielfabrikanten als klant. Kredietverlening door banken was tot circa 1900 minder gangbaar.

Het ging de banken decennialang voor de wind. De NHM liet in 1926 een monumentaal pand aan de Vijzelstraat neerzetten. De Amsterdamsche Bank koos domicilie aan het Rembrandtplein. Maar het tij keerde. In 1933 zat 70 van de 100 miljoen van het kapitaal van de NHM vast in Indië. Toen de Indonesische regering in 1959 alle Nederlandse bedrijven nationaliseerde, raakte de NHM een belangrijk deel van haar werkterrein kwijt en moest het bedrijf op zoek naar een nieuwe bestemming voor zijn kapitaal. De Twentsche Bank, die grote klappen had gehad door het ineenstorten van de textielsector, zocht toenadering en in 1964 was de overname een feit. Samen gingen ze verder als Algemene Bank Nederland. Uit vrees voor de concurrentie had de Amsterdamsche Bank intussen toenadering gezocht tot de Rotterdamsche Bank. Zo ontstond de Amro Bank. „Het was een tijd die vroeg om grotere banken”, analyseert Ries Roowaan, hoofd van het Historisch Archief van ABN Amro.

De fusiebanken stortten zich op de particuliere markt: ze breidden hun filialennetwerk uit, er kwamen spaarbankboekjes, salarisrekeningen en beleggingsfondsen. De concurrentie tussen de twee banken was enorm. Amro was in 1964 de grootste bank, met meer vestigingen en een omvangrijker balanstotaal dan ABN. In 1967 troefde ABN Amro af met de overname van Hollandsche Bank-Unie. De rivaliteit tussen de twee was zo groot dat klanten, die werden lastiggevallen met allerlei (tegen)voorstellen, geïrriteerd raakten. De beide banken besloten om halfjaarlijkse, geheime bijeenkomsten te beleggen waarin de wrijvingen werden besproken.

Hebben deze gesprekken er mede toe geleid dat de banken nader tot elkaar kwamen en in 1990 maar vijf weken nodig hadden om tot een fusie te komen? Ook de moeilijke jaren tachtig speelden een rol: een tweede oliecrisis en de internationale malaise zorgden voor veel faillissementen, zoals van scheepsbouwer RSV en energiemaatschappij Ogem. Werkloosheid en het inzakken van de vastgoedmarkt brachten veel mensen in problemen. ABN en Amro liepen daardoor klappen op. Amro moest enorme bedragen aan de reservepot onttrekken en raakte in een crisis.

Ook andere factoren maakten een fusie aantrekkelijk. Beide banken hadden maar een klein aandeel op de markt voor particulieren, waardoor de kosten relatief hoog waren. Amro kampte bovendien met het probleem dat zij weliswaar veel grote klanten had, maar klein was in het buitenland. Met de toenemende internationalisering dreigde het gevaar dat grote bedrijven op zoek zouden gaan naar een bank die wel een groot buitenlands netwerk had. ABN had zo’n internationaal netwerk, maar de daarvoor benodigde acquisities vergden veel geld.

Na wat teleurstellende vrijages in binnen- en buitenland vonden ABN en Amro elkaar. In februari 1990 spraken de banken voor het eerst met elkaar en in drie gesprekken waren de bestuursvoorzitters Roelof Nelissen (Amro) en Rob Hazelhoff (ABN) eruit. Het was de grootste fusie uit de Nederlandse bancaire geschiedenis. Ton de Graaf, destijds werkzaam bij ABN, herinnert zich de mededeling nog. „Ik dacht dat het een grapje was. Het was gewoon ondenkbaar, een fusie met onze grootste concurrent.”

De nieuwe bank ging op overnamepad: onder meer in de VS, Brazilië en Italië. Ook elders breidde de bank sterk uit: sinds 1990 kwamen er gemiddeld drie vestigingslanden per jaar bij.

En nu wordt de bank dan zelf overgenomen. Roowaan: „De twintigste-eeuwse trend van nationalisering van het bankwezen gaat nu richting europeanisering. De vrees van De Nederlandsche Bank dat binnenlandse banken te groot worden is allang niet meer aan de orde.” Bestuursvoorzitter Rijkman Groenink voorzag het jaren geleden al: over twintig jaar zijn er mondiaal hooguit nog vier of vijf grote banken over en wie niet internationaliseert, verdwijnt in de marge. ABN Amro staat op het punt een nieuwe ronde van dat consolidatieproces in te gaan.