Hoe de zwarte nacht verdween uit Nederland

Kester Freriks gaat ver van de stad op zoek naar de laatste restjes duisternis en ziet uilen en vleermuizen vliegen

Niet alleen God verdween uit Jorwerd, ook de nacht is nagenoeg uit Nederland verjaagd. Op 28 oktober 2006 vond in Winschoten de ‘Nacht van de Nacht’ plaats. Dat had niets met een uitgelaten dansfestijn te maken, evenmin met de ‘Museumnacht’ die zich hoofdzakelijk binnen afspeelt. Het gaat in het Groningse Winschoten om de echte nacht, de zwarte nacht waarin je ‘geen hand voor ogen ziet’, zoals het spreekwoord wil. Deze landelijke actie werd georganiseerd door Platform Lichthinder dat zich sinds 2000 inzet voor ‘behoud van duisternis als kwaliteit’. Sinds de mens verlichting kent, slapen we slechter en gemiddeld anderhalf uur minder. Om een voorbeeld te noemen.

wethouder van de nacht

Bij deze gelegenheid in Winschoten hield ‘Wethouder van de Nacht’, de echte wethouder H.T. Jansema van Ruimtelijke Ordening en Milieu, een toespraak over de spanning tussen ‘veiligheid en het donker houden van de nacht’. Jansema maakt zich terecht zorgen over de toevloed van licht in ons land, zoals helverlichte tuinbouwkassen die al het donker verjagen en in floodlight badende bedrijventerreinen die ’s nachts kilowatts aan energie vreten. Overal is het aldoor licht. En dat terwijl mens en dier juist de balsem nodig hebben van duisternis. „De zon gaat niet voor niets onder”, aldus Jansema.

Deze Winschotense ode aan de nacht kan als symbool gelden voor de teloorgang van de nacht in Nederland. Was de nacht vroeger zwart als een schoolbord, met het licht van sterren en hemellichamen, nu lijkt het of alles wit is gekrijt.

Kortgeleden stond op de voorpagina van deze krant een satellietfoto van het gebrek aan duister in West-Europa. Heel de Randstad heeft een overvloed aan licht. Ook in andere delen schitteren concentraties van licht. In Winschoten staat een 41 meter hoge toren, de ‘Olle Witte’ uit de zestiende eeuw. ’s Nachts omgeeft een zee van licht de toren. Slechts twintig procent straalt het monument werkelijk aan. De rest van het licht ‘verdwijnt in het niets’. Lichthinder, lichtvervuiling en lichtoverlast zijn recente Nederlandse woorden.

Volgens wethouder Jansema zou de verlichting gehalveerd moeten worden. De richtlijn van het Politie Keurmerk Veilig Wonen wil echter de lichtbronnen na middernacht niet minderen. Veiligheid, begrijpelijk, maar het nachtleven van dieren en vogels is een van de boeiendste gebeurtenissen in de natuur. Maak met mensen ’s nachts een tocht en iedereen zal zeggen: „Waarom doen we dit niet vaker?”

En terecht. Iedereen die ’s nachts naar buiten gaat, raakt betoverd. Het is of de zintuigen aangescherpt worden. Elk geluid klinkt helderder. De oude menselijke angst voor duisternis heeft ook de dieren die ’s nachts huishouden het stempel van angstwekkend, spookachtig en zelfs duivels opgedrukt. Dat geeft een nachtwandeling extra spanning; het duister is een ‘oerkwaliteit’, aldus Platform Lichthinder. Wandelen in duisternis is een oerervaring. Het donker roept sensaties op die de hedendaagse mens, aldoor omringd door licht, nauwelijks nog kent.

Ik las het zo in het boek Nachtvogels, van een Duitse fotograaf die zijn leven besteedde aan fotojacht op uilen: ‘De reine geesten van de hemel vliegen met witte vleugelslag van de duif of zwaan, die beide dagdieren zijn; duivels en vliegende draken daarentegen worden in alle voorstellingen waarbij ze met vleugels worden getoond met die van vleermuizen uitgerust. En dan vooral de uilen! In de middeleeuwen werden de uilen als duivelsdieren gebrandmerkt en levend aan de schuurdeur genageld. Ik heb in mijn jeugd dit afschuwelijke gebruik zelf beleefd.’ Auteur Otto Färber schreef dit in 1974. Zo dichtbij waren destijds nog de middeleeuwen in Zuid-Duitsland!

nachtdieren vogelvrij

Nachtdieren zijn nu op een andere manier vogelvrij verklaard. Ze hebben geen nacht meer. Volgens Färber is ‘de huiver van het helse geweken, de prikkel van het geheimzinnige is gebleven’. Färber is de eerste fotograaf geweest die een wonderbaarlijk verschijnsel uit de uilenwereld heeft vastgelegd. De Dwerguil heeft achter op zijn kop eenzelfde tekening van de veren als op zijn aangezicht. Dit zorgt voor een wonderlijke verwarring: de vogel staart je met vurige ogen aan en draait plots zijn kop met 180 graden. Opnieuw zijn het net ogen onder een witte, gefronste wenkbrauwstreep die je aankijken.

Nu, eind april, is het zaak naar het nachtelijke buiten te gaan, liefst zo ver mogelijk van enige stedelijke omgeving. Het wemelt van leven. De vleermuizen verlaten hun winterverblijfplaats en trekken zwenkend en zwierend, grillige hoeken en bochten beschrijvend, naar de zomerverblijfplaats. Soms is die vlakbij, soms honderden kilometers verderop. Ook de rans-, kerk-, steen- en bosuil zoeken de schemer op om te jagen en te baltsen, jongen te krijgen. Ga diep in de nacht het bos in. Zijn je ogen gewend, dan is dit duister helemaal niet zo ondoorgrondelijk. Spied rond. Luister. Daar klinkt de bosuil: klagend, weemoedig, vroeger noemde men dit angstaanjagend. Als een film vreeswekkend moet zijn, klinkt altijd de roep van de bosuil.

Luister ernaar in het echt.

Om te zien heeft een nachtvogel de nacht nodig. Ik zou een pleidooi willen houden om de uren tussen zonsondergang en zonsopkomst in de open natuur onverlicht te laten zijn. De rijkdom van duisternis is ongekend.

Informatie: www.platformlichthinder.nl; Milieufederatie Groningen, www.mfgroningen.nl