Gierzwaluwreeks

Karel Knip

Tien jaar geleden werd hier statistiek gepubliceerd over het verloop in de jaarlijkse terugkeerdatum van de gierzwaluw. De ‘arrival date of the common swift’, zoals dat heet bij Google. Sinds 1973 houdt een en dezelfde persoon in een en dezelfde stad op een en dezelfde route door die stad (in Amsterdam, van de Plantage langs de wallen naar het donkere westen – en terug) bij wanneer hij in april of mei de eerste gierzwaluwen ziet. Elk jaar noteert hij dat op een eeuwigdurende kalender.

Dit jaar werden de eerste zwaluwen op zondagavond 22 april gezien. Let wel: dit luistert nauw. Een kilometer naast de route had een verbeten medewaarnemer tot aan woensdagavond 25 april nog niets gezien. Tot ze op AW-aanwijzing op de juiste plaats een kijkje nam: boven de synagoge. Op de site www.gierzwaluw.com valt te lezen dat anderen trouwens wel een week eerder waren. In de eerste dagen, als de zwaluwen nog niet schreeuwen, ontsnappen ze makkelijk aan de aandacht. Ook passeren dan vaak Einzelgänger die hoogstens wat dralen boven de stad en dan verder trekken. De vraag is of die mogen meetellen in de lokale statistiek. Waarschijnlijk niet, want elke stad in Nederland heeft zijn eigen honkvaste gierzwaluwen die vaak jarenlang hetzelfde nest gebruiken. Hun ritmiek wil je weten.

In 1997 waren al 22 bruikbare waarnemingen verzameld, inmiddels zijn het er tien meer. Ze staan hieronder samen met die van een ander die vijfentwintig kilometer verderop al langer bezig is. Zo langzamerhand zijn er aardige conclusies uit te trekken.

Toen de zwaluwwaarnemingen in 1997 voor het eerst in een grafiek werden gezet werd een vreemde trend zichtbaar: de vogels bleken in de loop van de jaren steeds eerder terug te komen uit zuidelijk Afrika. Rond 1975 werden de eerste dieren vaak pas in mei gezien, geleidelijk aan schoof die grens naar voren tot hij in 1997 rond 23 april lag. In een kwart eeuw was de aankomstdatum wel 10 dagen naar voren geschoven. Dat is niet weinig, want de gierzwaluw brengt nauwelijks meer dan honderd dagen in Nederland door. Begin augustus is hij alweer verdwenen.

Tien jaar geleden ontstond wereldwijd grote belangstelling voor allerlei fenologische verschuivingen die leken samen te hangen met klimaatverandering. Niet alleen de gierzwaluw kwam eerder terug, tientallen andere vogelsoorten bleken dat ook te doen. Ze legden eerder eieren en gingen eerder broeden, het was een hele sensatie. De AW-gierzwaluwreeks leek prachtig in het modebeeld te passen.

Kort na de publicatie van de statistiek arriveerde de brief van lezer H. Nuijen in Hilversum. Nuijen werd op zijn vijftiende lid van de NJN, de Nederlandse Jeugbond voor Natuurstudie, en noteerde in 1942 zijn eerste gierzwaluwaankomst: 26 april. Hij werd een enthousiaste vogelaar, ging minstens driemaal per week naar buiten en heeft elk jaar bijgehouden wanneer hij de eerste gierzwaluwen zag. Boven Hilversum, want dat is waar hij zijn hele leven is blijven wonen. Ook zijn waarnemingsreeks is dus homogeen, hij staat hieronder in rood afgedrukt. Eergisteren heeft Nuijen op verzoek de waarnemingen van de laatste tien jaar doorgegeven. Dit voorjaar had hij zijn record: 15 april.

In alle eenvoud is het verzameld werk hieronder onthutsend en onthullend. De trends boven Amsterdam en Hilversum zoals die na 1972 werden waargenomen ontlopen elkaar nauwelijks en interessant genoeg wordt het verschil tussen de twee reeksen steeds kleiner. Met Nuijen is nooit enig contact geweest en je mag dus vaststellen dat de waarnemingsreeks betekenis heeft.

Dat is punt één: het is geen rommeltje wat daar staat, er is goed opgelet. Dat geeft het recht om verdere conclusies te trekken. Bijvoorbeeld, dat de trend naar almaar vroeger terugkeren aan het kenteren is. Het einde lijkt in zicht, in de laatste tien waarnemingen zit geen significante vervroeging meer. Veel belangrijker: een vroege aankomst rond 23 april, zoals de laatste jaren gewoon is geworden, is helemaal geen zeldzaamheid. Het heeft zich eerder voorgedaan. In de jaren zestig arriveerden de gierzwaluwen zelfs vaak al op 20 april. Tussen 1968 en 1982 schoof de aankomstdatum weer naar achteren.

We stellen daarom vast dat waarnemingsreeksen van 25 jaar of korter eenvoudigweg te kort zijn om daaruit vergaande conclusies te trekken. En dat het dus zeker niet is toegestaan om de huidige vroege aankomst in verband te brengen met het broeikaseffect. Toen tussen 1958 en 1972 de gierzwaluwen ook een tijdlang almaar eerder terug gingen komen werd het hier helemaal niet warmer maar juist kouder.

Toch wordt nu allerwegen, maar vooral in Engeland, de vroege trekvogelterugkeer wèl unverfrohren in verband gebracht met het broeikaseffect. Als bezeten zijn de Engelsen op jacht naar de eerste koekoeken, zwaluwen, plevieren en rietzangers en in bijna alle gevallen zijn de laatste dertig jaar verschuivingen naar voren vastgesteld. In de Proceedings of the National Academy of Sciences van 14 oktober 2003 geeft Peter Cotton uit Plymouth een aardig overzicht.

Gemiddeld is de vervroeging die statistiche verwerking van de waarnemingen laat zien zo’n drie dagen per decennium. Een paar nare vogeltjes, zoals de braamsluiper, het paapje en de gele kwikstaart, blijkt trouwens stelselmatig later terug te keren maar dat brengt Cotton niet van zijn stuk: het is de klimaatverandering die het hem doet. Maar de verandering van wèlk klimaat eigenlijk? Van jaar tot jaar bleek er weinig samenhang tussen ‘arrival date’ en de temperatuur in Engeland. Logisch, hoe zouden de vogels in Afrika ook moeten weten dat het in Plymouth warm is als ze besluiten Senegal te verlaten. Het lijkt erop dat het veel simpeler zit: ze vertrekken eerder omdat het in het winterkwartier warmer wordt. De gierzwaluwen laten zien hoe het weer in Afrika verandert.