‘Fraudebestrijding is niet de van justitie’ core business

Als officier van justitie in de Ahold-zaak was hij even hét gezicht van de fraudebestrijding. Nu zet Hendrik Jan Biemond, na ruim vijf jaar publieke zaak, de stap terug naar de advocatuur. Over werken voor de publieke zaak, integriteit in het bedrijfsleven en de manier waarop het OM met fraudebestrijding omgaat: „Er wordt geïnvesteerd in structuren en te weinig in mensen. ”

Oud-officier van justitie Hendrik Jan Biemond voor het kantoor van zijn nieuwe werkgever Allen & Overy. Foto NRC Handelsblad, Maurice Boyer Hendrik Jan Biemond van Allen en Overy advocatenkantoor Foto NRC H' Blad Maurice Boyer 070425 Boyer, Maurice

Zijn nieuwe kamer in het chique gebouw van het internationale advocatenkantoor Allen & Overy aan de Amsterdamse Apollolaan oogt nog maagdelijk. In de grotendeels lege dossierkasten liggen maar twee dingen: een notitie over ‘De Nederlandse corporate governance code’. En enkele exemplaren van de ‘nieuwsbrief strafrecht’.

Hendrik Jan Biemond zit aan de houten vergadertafel en wijst naar een grote schaal vol blauwe druifjes met kaartje: ‘welkom terug’. Zijn rentree bij Allen & Overy, waar hij in 1994 als advocaat effectenrecht begon was „als een warm bad”, zo verzekert hij. En, eerlijk is eerlijk, het „voelt wel goed” om weer bij een commercieel bedrijf te zitten „waar alles werkt, waar er genoeg secretariële ondersteuning en know how is, waar de kantoorlogistiek up to date is, waar is geïnvesteerd in de support staff”.

Waarmee meteen een cliché bewaarheid lijkt: flitsend, goed geoutilleerd advocatenkantoor versus duffe en bureaucratische overheidsinstelling. Hij ontkent haastig: „Nee, nee, zeker niet! Sterker: ik heb het openbaar ministerie (OM) juist helemaal niet als een stoffige ambtenarenclub ervaren. Zelden mensen gezien die op individuele basis zó gemotiveerd en loyaal zijn. Maar bij het OM wordt helaas geïnvesteerd in structuren en te weinig in mensen. Terwijl we het juist moeten hebben van die mensen.”

Hij heeft het nog regelmatig over ‘we’ als hij het OM bedoelt. Voelt, zo benadrukt hij, nog veel betrokkenheid bij de publieke zaak. Niet voor niets riep hij in een van zijn schaarse interviews als officier van justitie vakgenoten uit de advocatuur, accountancy en financiële wereld op om voor een periode de overstap te maken: „Serve your country for a while. In Amerika is dat heel normaal.”

En nu, ruim vijf jaar na zijn eigen overstap naar het OM, is hij terug als partner bij zijn oude werkgever. In een grotere kamer, met een hoger salaris en een schat aan kennis uit het justitie- en opsporingsveld dat hij nu te gelde kan maken. Hij weet het, er zijn er die zeggen: slimme jongen, die Hendrik Jan. Paar jaar officier van justitie zijn en dan met opgepoetst cv fijn binnenlopen. Geïrriteerd: „Daar kan ik niets mee. Had ik dan zeven jaar moeten blijven? Of tien? Ik heb altijd gezegd dat ik graag een periode de publieke zaak wilde dienen. Nou, ik heb met plezier mijn bijdrage geleverd. Heb mooie zaken gedaan. Kennis overgedragen. Geholpen het vak te professionaliseren. Meegedacht in de relatie tussen OM en toezichthouders als AFM, De Nederlandsche Bank, hun Amerikaanse collega’s en de Belastingdienst. En na ruim vijf jaar is het weer eens tijd voor wat anders. Wat is daar mis mee? Als iedereen uit de financiële wereld dat nou eens zou doen. Het werk van het OM is er belangrijk genoeg voor.”

Nee, zo onderstreept hij, hij is niet uit frustratie vertrokken bij het functioneel parket, de gespecialiseerde afdeling van het OM voor fraude en milieu. Het werk was boeiend, de collega’s gedreven. Maar ja, het „is geen geoliede machine” als zijn nieuwe werkgever: „De parketsecretaris, die juridische zaken moet doen, vult een deel van zijn tijd met het verspreiden van stukken en advocaten op de hoogte stellen. En tot veler frustratie zijn zelfs officieren met administratieve dingen bezig. Dat is kapitaalvernietiging. Laat personen doen waar ze goed in zijn en geef ze professionele ondersteuning.”

Hoe komt dat?

„Ik denk dat het toch vooral een cultuurkwestie is. Maar vervelend is het wel. Het functioneel parket werd enkele jaren geleden opgericht om specialistische kennis op het gebied van fraudebestrijding te bundelen. Prima plan. Goede structuur. Maar aan de vervolgstap, een praktische uitvoering en invulling, is niet genoeg aandacht besteed. Het is een specialistisch parket met te weinig specialisten. Er is te weinig nagedacht over hoe je voortdurend mensen kan binnenhalen die dit bijzondere werk kunnen doen. Pas onlangs is het OM met het onorthodoxe middel van de headhunter gaan werken. Dat is wel wat laat.”

Met als gevolg?

„Dat je je ambities niet kan waarmaken. In het OM-jaarplan staat dat financiële fraude topprioriteit heeft. Het functioneel parket wilde daar actiever in zijn: zélf onderzoek doen en niet alleen maar afhankelijk zijn van bijvoorbeeld aangiftes van de AFM. Zaken halen en niet brengen. Maar dan moet je wel de goede mensen en kennis hebben. Daarbij gaat het niet alleen om geld. Iedereen weet dat bij de overheid geen commerciële salarissen worden betaald. Maar er zijn genoeg mensen die het eervol en leerzaam vinden om eens een tijdje mee te beslissen over de prioriteiten van het OM in de fraudebestrijding. Dáár moet je mee de markt op en dat gebeurt te weinig.”

Wie heeft daar de verantwoordelijkheid voor?

„De top van het openbaar ministerie. Het college van procureurs-generaal staat er ver vanaf omdat fraudebestrijding niet de core business van justitie is. De urgentie staat wel op papier, maar wordt te weinig gevoeld. Het functioneel parket was een goed idee en er is ook wel geld, maar daar blijft het bij. Er wordt onvoldoende nagedacht over de vervolgstappen: goede mensen, goede ondersteuning, betrokkenheid tot op het hoogste niveau. Dit is echt het probleem: de organisatie staat, alleen: het is een leeg huis.”

In 2004 zei u in een interview dat het OM normbevestiging verkocht. Dat justitie moest laten zien dat er bestraffing volgt als er een een scheve schaats gereden is, ook aan de haute finance. Daar komt dus weinig van terecht?

„Het is natuurlijk niet zo dat er helemaal niets gebeurt. Stapje voor stapje gaat het beter, maar snel gaat het inderdaad niet. En dat zal wel moeten, want internationaal komt er steeds meer wetgeving op ons af die ook strafrechtelijk gesanctioneerd wordt. Het OM heeft een belangrijke maatschappelijke functie als het gaat om fraudebestrijding, dus moet je als justitie met de tijd mee, weten waar je over praat en proactief kunnen opereren. Anders speel je straks een marginale rol en dat kan je je als openbaar ministerie niet veroorloven.”

Voor uw toekomstige cliënten is dat prettig, dus het zal u weinig kunnen schelen.

„Helemaal niet. In de eerste plaats heb ik als burger van dit land belang bij een sterk OM. En in de tweede plaats heeft geen enkel bedrijf behoefte aan gerommel in de tent. Als binnen een onderneming strafbare feiten worden gepleegd, is het in het bedrijfsbelang dat zo’n zaak wordt afgewikkeld in plaats van genegeerd, het liefst door een OM dat weet waar het over praat en dat snel en professioneel doet.”

Natuurlijk, maar het komt u nu toch uitstekend uit als u tegenover een zwak OM staat?

„U maakt er een tegenstelling van. Maar ik kijk er zo niet tegenaan. Je ziet een tendens dat bedrijven steeds meer investeren in compliance en interne gedragscodes die moeten voorkomen dat ze met justitie in aanraking komen. Juist door mijn verleden als officier werk ik daardoor nu op een heel interessant snijvlak. Bij fraudebestrijding gaat het er uiteindelijk om: hoe meer je aan de voorkant voorkomt dat justitie moet ingrijpen, hoe beter het is.”

Als het erop aan komt, kiest u toch voor uw cliënt en niet voor fraudebestrijding?

„Ik heb wel eens eerder gezegd: ik ben heus geen missionaris. Als het onverhoopt zover komt dat er een justitieel onderzoek komt bij een cliënt, dan wil ik dat natuurlijk zo begeleiden dat er minimale schade ontstaat en dat het probleem tot de juiste proporties wordt teruggebracht. Maar het is een beetje raar om het beeld op te roepen van een agressieve advocaat die het OM gaat slopen. In de moderne fraudebestrijding zit de werkelijkheid ingewikkeld in elkaar. Toezichthouders worden groter, krijgen meer taken, een uitgebreider sanctie-instrumentarium en er komen steeds meer regels. Ondernemingen hebben daardoor belang bij een goede en continue dialoog met die toezichthouders en eventueel met justitie. Het probleem is dat die dialoog heel makkelijk verstoord kan worden.”

Hoe dan?

„Door het dreigende gevaar dat er twee werelden gaan ontstaan die elkaar niet begrijpen. Natuurlijk moet een ondernemer zijn ondernemingsbelang behartigen, maar een evenwicht in de verhoudingen met de toezichthouders en justitie is tegenwoordig essentieel. Dat betekent dat bedrijven daarop moeten anticiperen en een actieve rol moeten spelen.”

Bij problemen willen ondernemingen zo’n zaak het liefst zo snel en geruisloos mogelijk wegwerken. Dan gaan ze toch niet actief naar justitie lopen?

„Dat ligt eraan. Integriteit is in het bedrijfsleven een serieus issue. Daarom is het bijvoorbeeld nuttig een interne gedragscode te hebben die ervoor zorgt dat het bedrijf binnen de grenzen van de wet blijft. Maar als er dan onverhoopt toch iets aan de hand is, moet je niet afwachten, maar zelf initiatief nemen en het overleg openen met toezichthouders of het OM. Daarover kan ik ondernemingen goed adviseren, vooral ook omdat ik weet hoe bepaalde zaken aan de andere kant van de tafel werken.”

Precies. Daarom bent u hier natuurlijk met vlag en wimpel binnengehaald.

„Nou, ik mag hopen dat het om wel wat meer gaat dan dat. Voor mij is het belangrijkste dat ik die dialoog een stapje verder kan helpen met behulp van mijn ervaring. En het is bewezen: fraudebestrijding wordt effectiever als je het bedrijfsleven erbij betrekt. Dus ook al zit ik aan de andere kant: ik kan nog steeds mijn duit in het zakje doen.”

Is dat adagium van ‘serve your country for a while’ nu passé voor u? Of ziet u zichzelf nog eens terugkeren in de publieke sector?

Hij kijkt lachend naar de schaal blauwe druifjes: „Het zou wel een beetje vreemd zijn als ik naast dit welkomstboeket mijn afscheid ga aankondigen. Ik heb juist veel zin hier weer aan de slag te gaan. Maar ik heb wel geleerd niets uit te sluiten.”