Désanne van Brederode omarmt de Nobele Wilde

Joost Zwagerman verbaast zich over de dweepzieke blik waarmee Désanne van Brederode naar de exotische immigrant kijkt

Nog nagedacht, in deze nu bijna voorbije Maand van de Filosofie? Of was u net als de schrijfster Désanne van Brederode vooral bezig uzelf te verrijken? Van Brederode publiceerde ter gelegenheid van de Maand van de Filosofie het boekje Brief aan een gelukzoeker.

Het is grappig: Brief aan een gelukzoeker is helemaal geen brief aan een gelukzoeker. Van Brederode richt zich slechts in schijn tot nieuwkomers en asielzoekers. Over hun hoofden heen wendt zij zich uitsluitend tot ‘ons’; tot de allochtone Nederlander. Zij wil deze autochtone Nederlander uitleggen wat voor een hedonistische, kortzichtige, egomane en banale zak hij (m/v) wel niet is. Niets aan ‘ons’ deugt, zoveel wordt wel duidelijk.

Van Brederode benadrukt een paar keer dat zij overal elders op aarde zoveel aardiger, beschaafder en rustiger mensen heeft ontmoet dan hier in Nederland. Voorbeeld: nergens anders ter wereld heeft de schrijfster mensen zo hebzuchtig zien graaien als hier tijdens de Drie Dwaze Dagen van de Bijenkorf. In alle onze rijkdom zijn wij gedegenereerd en walgelijk. Dat wil zeggen: wij, minus Van Brederode, vanzelfsprekend.

Nee, dan de vers gearriveerde vreemdeling en allochtone medemens. Dat zijn zonder uitzondering frêle, integer levende persoonlijkheden, puur van hart en zuiver van geest. Van Brederode verliest zich in Brief aan een gelukzoeker in het niet zo fijne stereotype van de Nobele Wilde, de ethisch zuiver levende mens die nog dicht bij de natuur staat in tegenstelling tot de decadente westerse onverlaat. Halverwege Brief aan een gelukzoeker staat het er ook zonder omwegen: ‘Terug naar de natuur en het lichaam, naar het simpele leven en de spontaniteit, dat gaat helaas niet meer.’

Wij moeten een voorbeeld nemen aan de nieuwkomers, vindt Van Brederode. Sterker, wij hebben hun hulp nodig: ‘U helpt ons al door hier te zijn. Maar dan heeft u er in de eerste plaats recht op uzelf te zijn. Integreer dus, maar met mate.’

‘Integratie met behoud van eigen identiteit is een vrome leugen’, concludeerde Paul Scheffer destijds in 2000 in zijn essay ‘Het multiculturele drama’. Scheffer wees onder meer op de bevinding van oud-minister Jos van Kemenade (PvdA) die stelde dat de nadruk op eigen identiteit de sociale ongelijkheid eerder vergroot dan verkleint.

Alle nuanceringen rondom het dogma van de eigen identiteit zijn kennelijk aan Van Brederode voorbijgegaan. Lezend in Brief aan een gelukzoeker ontdek je hoe dat komt. Van Brederode wordt zo in beslag genomen door de sensatie zich verrijkt te voelen dat de eventuele nooddruft en sociale achterstelling van die geromantiseerde Ander haar ontgaat. Omdat de schrijfster in katzwijm valt van een exotisch uitziende kansarme sloeber in wie zij uitsluitend een sjamaan op woestijnsandalen ziet, mag hij die sandalen vooral niet verruilen voor een paar sportschoenen. Die sportschoenen bieden hier ongetwijfeld meer gemak dan die woestijnstappers – maar ja, zulke banale Nikes ontnemen de sjamaan zijn heerlijke authenticiteit.

Met deze dweepzieke blik legt Van Brederode de immigrant en gelukzoeker vast aan de ketting van zijn kennelijke schilderachtigheid. Zij heeft maar één boodschap voor de gelukzoeker. Blijf wie je bent. Word niet zoals wij. Blijft u toch vooral simpel van geest, zodat ik mij kan laven aan uw pure en onbezoedelde cultuur. Gehuld in het jasje van empathie openbaart de schrijfster zich als een spiritueel kolonialist.

Die dweepzucht met de Nobele Wilde verdwijnt bij Van Brederode per direct zodra zij zich geconfronteerd weet met ongeschoolde en volkse zielen van autochtone komaf. Dat zijn, zo weten wij uit haar voorafgaande pamflet Modern dedain, asociale hufters die steeds opdringeriger de publieke ruimte opeisen zodat er geen plaats meer is voor de Bach-minnende en Joyce-lezende Feingeist. Tegenover die opmars van het a-culturele falderappes bepleitte Van Brederode geen scholing of volksverheffing of emancipatie, maar een stevige herleving van wat zij noemt ‘traditioneel dedain’.

Let dus op: ontmoet Van Brederode een laagontwikkelde autochtoon met tatoeages die luid meezingt met André Hazes, dan gaat bij haar de neus in de lucht. Kwestie van gezond traditioneel dedain. Kruist zij het pad met een ongeschoolde gelukzoeker in een djellabah, dan maakt haar hart een sprongetje en ‘helpt’ deze allochtoon ‘ons’ louter en alleen door zijn bejurkte aanwezigheid.

Voor degenen die zo hun vragen hebben bij deze opmerkelijke idealisering, heeft Van Brederode op de slotpagina van Brief aan een gelukszoeker een advies: ‘laten ze weggaan, vluchten, emigreren.’

Hier kijk je ondanks alles toch nog van op. Ik moest weer denken aan het bejaarde echtpaar uit Amsterdam-Tuindorp waarvan de man aan het woord kwam in het programma Premtime. Een groep Marokkaanse jongens vierde een feestje en vernielde het bestelbusje van de beide bejaarden, en toen de vrouw daar iets over zei, kreeg zij klappen van de boys en belandde ze in het ziekenhuis.

Ik moet ook denken aan columnist Stephan Sanders, die in Vrij Nederland schreef dat hij in één week drie keer is uitgescholden voor vuile homo. En waarom? ‘Omdat ik kennelijk iets te lang naar een Marokkaans jongemannengezicht keek. Die types staan scherp afgesteld. (...) Ik kan dat geen verrijking vinden van ons klimaat, en als een moslimachtergrond dit soort gedrag bevordert, vind ik die moslim-achtergrond ook geen aanwinst.’

Columnist Sanders en de buurtbewoner uit Premtime kunnen volgens Van Brederode maar beter ‘weggaan, vluchten, emigreren’. Hun kanttekeningen verstoren haar feestje van verrijking. Met die aansporing je biezen te pakken ontsluiert ze de tirannieke toon van haar boekje.

Van Brederode lijkt als twee druppels water op Geert Wilders, terwijl zij zichzelf zal beschouwen als zijn door onbaatzuchtigheid gedreven tegenvoeter. Dat xenomanie en xenofobie twee kanten zijn van dezelfde medaille, lijkt zij het hele boekje lang niet te beseffen. Dit beperkte zelfinzicht ontsluiert het tragische aspect van Brief aan een gelukzoeker. Terwijl zij meent dat altruïsme en empathie haar drijfveren zijn, ziet Van Brederode niet dat haar blik op de Ander slechts getuigt van dedain – modern of traditioneel dedain, daar wil ik af zijn. Een kleine tien jaar geleden fileerden de filosoof Lolle Nauta en de psychiater R. van den Hoofdakker in een essay in de Volkskrant de beweegredenen van de zelfverklaarde altruïst: ‘Altruïsme is een versleten vorm van christelijke moraal. (...) De ander met wie je je zo nodig moet identificeren, is meestal een kloon van het eigen ik. Altruïsme is behalve neerbuigend en tactloos ook fantasieloos.’

Woord voor woord is deze diagnose toepasbaar op de schrijfster van Brief aan een gelukzoeker. Maar zelfs als Van Brederode gewezen zal worden op haar neerbuigendheid, zal dit haar ten enen male ontgaan. Zij gaat immers prat op de noblesse van haar omhelzing van de gelukzoeker. En terwijl de gelukzoeker die omhelzing zal ervaren als een beknellende houdgreep, voelt Van Brederode zich er zélf door gesterkt. Dat zij de Ander diep vernedert merkt zij niet op – want zij minnekoost tenslotte uitsluitend met haar eigen morele voortreffelijkheid.