Wat willen wij

De oude boeken tonen ons de begeerte in al haar weerzinwekkende gedaantes. Maar daarbuiten vormt het willen een industrie van verlangen. Zie het gestoorde gedrag van de deelnemers aan ‘Temptation Island’.

Verlichting begint op een hotelkamer. Er gaat een keuzemenu aan vooraf. Je kunt kiezen tussen een pay per view – adult movie, de hotelbijbel of De leer van de Boeddha, aangeboden door de Stichting tot Bevordering van het Boeddhisme. In islamitische werelddelen vervalt deze keuze, maar heeft de gast wel de beschikking over een bidmatje op zijn kamer. Maar ons onderzoeksgebied ligt hier, in onszelf, in deze hotelkamer. We staan voor de eeuwige kwestie, zoeken we het pornokanaal of openen we het boek, en lezen wij: ‘Snij van jezelf luchthartige begeertes af, als waren het witte herfstlotussen. Ontwikkel het Pad der Vrede, het nirvana dat door de Verhevene gepredikt werd.’

Uit de beide hotelboeken komt de begeerte ons tegemoet in haar vele verschijningsvormen en met haar vaak desastreuze gevolgen. Volgens de vertellers van het boek Genesis is de breuk tussen god en mens het gevolg van een daad van begeerte, de hand die pakt wat verboden is. Aan de begeerte van Eva gaat een belofte vooraf, de mens zal als god zelf zijn. Nu is hij nog eendimensionaal en schaamteloos, de moraal heeft hem nog niet te pakken. Na het eten van de vrucht (heidenen spreken hier van een appel) realiseert de mens zich dat hij naakt is, en maakt zich een schort van vijgenblad. De begeerte en de vervulling ervan wordt onmiddellijk gevolgd door schaamte, de mens bedekt zich in een onhandige poging zijn zonde te verdoezelen.

Achter de begeerte komt een wereld aan pijn en straf te voorschijn, de oudtestamentische god vernedert zijn oogappels tot in hun merg: zij zal baren in smart en hij zal distels en doornen voortbrengen, ze zullen hun plaats in de kringloop innemen en biomassa zijn. De belofte van goddelijkheid wordt niet ingelost, paradijs verloren maar moraal gewonnen. De mens is mens geworden, en Prediker vat die eerste levensles later nog eens voor hem samen in zijn beroemde verzuchting ‘want in veel wijsheid is veel verdriet, en die wetenschap vermeerdert, vermeerdert smart’.

Ik heb nooit goed begrepen waarom Adam en Eva hun geslachtsdelen bedekten na de erfzonde. Pas wanneer we het verhaal allegorisch lezen, komt de betekenis te voorschijn; dan is het opeens de wordingsgeschiedenis van vrijwel ieder mens. We zien de ontwikkeling van het kind – dat zich voor zijn naaktheid niet schaamt en van goed en kwaad nauwelijks weet heeft –, naar de adolescent die zich van zijn seksualiteit en de moraal bewust is, en de volwassenheid, wanneer hij begrijpt dat hij verantwoordelijk is voor zijn daden en moet werken voor zijn brood. Het begrip van moraal (de verboden vrucht), hangt met de leeftijd samen waarop hij tot seksuele wasdom komt, zodat ook de schaamte in het verhaal op haar plaats valt. Zijn begeertes raken omgeven met evenzoveel taboes.

In het voorjaar van 2006 was ik op Belle Île, ik werkte op een terras met uitzicht over zee. Met een verrekijker bestudeerde ik vrouwen op zeilschepen die in de baai voor anker lagen, de vrouwen waren in diverse stadia van ontkleding, en toen mijn verloofde vroeg wat ik daar deed, antwoordde ik dat een jonge man niets anders is dan een nog niet volgroeide vieze oude man, een voorstadium.

Om ons heen was het druk. Een lijster tikte slakjes open op de stenen, veldleeuweriken loofden hoog schallend de vroege zon, een troepje houtduiven probeerde een triootje op het gras. Ik keek naar tientallen geslaagde en minder geslaagde pogingen tot voortplanting, waarbij de plantaardige levensvormen niet alleen minder luidruchtig waren dan de vogels en zoogdieren, maar ook beduidend effectiever, zoals de brem, die in volle bloei was. En daar, in de felgele bloemetjes van de brem, vond ik het onderwerp, het thema van dit gastschrijverschap. Met mijn vinger ontdekte ik een schitterend klein springveermechaniek in de bloempjes, dat de vingertop besproeide met een ontploffinkje van stuifmeel.

Ik moet dit uitleggen, het is te ingenieus om vlug aan voorbij te gaan.

Wanneer een insect de bloemen bezoekt, landt het op de kiel, een landingsplatform dat bestaat uit twee aaneengegroeide blaadjes. De kiel staat onder spanning door de stijl, het uiteinde van de stamper, het seksuele orgaan van de plant. Het springveermechanisme van de stijl treedt in werking wanneer er een zwaar insect, meestal een hommel, op het platform landt en zich dieper de bloem in wurmt – de kiel barst open, de meeldraden springen met kracht te voorschijn, vijf lange meeldraden besproeien het insect van boven met stuifmeel, vijf korte meeldraden bestrijken de onderkant.

Geheel bestoven verlaat de hommel de bloem.

Met mijn vinger bracht ik tientallen van die zaaddoosjes tot ontploffing, het was een feilloos mechaniekje. Maar ook een erotisch object; door zijn kleur en geur riep het bij hommels begeerte op en door zijn bouw en werking duidelijke seksuele associaties bij mij.

Zo kwamen begeerte en techniek samen in het bloemetje van de brem.

Er wandelt wel eens een man langs mijn huis, een soort kuieren is het eerder, met zijn handen op zijn rug. Hij heeft een enigszins gebogen gang zodat ik hem pas na een paar keer herken als de bioloog Midas Dekkers. Hem stel ik de vraag of er in het plantenrijk van begeerte sprake is. „Een filosofische vraag”, zegt hij. „Een plant heeft een taak, voortplanting. Hij maakt gebruik van mechanismen die wij met begeerte associëren. Is er bewustzijn nodig voor begeerte?”

„Nou?” vraag ik.

„Bij de mens spelen die processen zich ook grotendeels onbewust af”, merkt hij op. „Begeerte wordt gestuurd door het autonome zenuwstelsel, waar ons lichaam alleen maar de verpakking van is. Een stijve lul overkomt je. Dieren zijn zo verstandig om hun geilheid te reserveren voor een beperkt deel van het jaar, bij de mens gaat dat het hele jaar door. Wij zijn gevangen in een cascade van chemische processen. Gedrogeerd in geilheid, slachtoffer van zelfgemaakte hormonale doping. In het voorjaar dragen de meisjes opeens rokjes met bloemetjes erop en besprenkelen zich met bloemenwater, precies dezelfde lokmechanismen die de hommel aantrekken. Wij vinden hetzelfde aantrekkelijk als hommels, dat is esthetiek van universeel niveau.”

In het hart van de grote geestesrichtingen waarvan we de neerslag op onze hotelkamer vinden, het boeddhisme en de judeo-christelijkheid, zetelt de begeerte. Of beter: een methode om de begeerte te onderwerpen. De een predikt het nirvana, de verlossing uit het rad van wedergeboorte, bij ons vloeit het bloed van Christus tot verlossing van de mensheid, maar bij beide is begeerte de kiem van smart en een obstakel voor het nirvana of het directe contact met god.

Het begint met de ogen.

„Heer”, vraagt Ananda aan zijn meester, de Boeddha, „hoe moeten we omgaan met vrouwen?”

„Kijk niet naar ze, Ananda.”

„Maar als we ze niet zien, hoe moeten we ons dan tegenover hen gedragen?”

„Spreek niet tot ze, Ananda.”

„En als we toch iets tegen ze moeten zeggen?”

„Men moet altijd waakzaam blijven, Ananda.”

Het boeddhisme is een heilsleer, het predikt een weg uit die onheilzame staat van begeerte en voornamelijk de gehechtheid aan die begeerte, zoals een roker vastgeklonken zit aan zijn sigaret. „Dit, monniken”, zegt de Boeddha vervolgens, „is de Edele Waarheid van de Opheffing van Lijden: het is het gaandeweg verdwijnen en uiteindelijk ophouden van voornoemd verlangen. Het opgeven, het laten varen, het loslaten en de verwerping van dat verlangen zonder dat er een spoor van overblijft.’

Het centrale punt in deze Edele Waarheid is het nirvana, waarvan de betekenis moet worden gezocht in „uitgewaaid, gedoofd zijn als een vlam”.

Wat wij ons persoonlijke zelf noemen, is volgens de Boeddha niet meer dan een aap die van de ene tak naar de andere springt, van de ene impuls naar de andere. Het is allemaal geen dag hetzelfde, vandaag willen we hebben waarvan we gisteren het bestaan nog niet kenden, morgen streven we na wat we overmorgen vergeten zullen zijn.

Ook bij Aurelius Augustinus las ik eens dat de ogen het begin zijn van alle ellende, en de dingen die we met die ogen zien. Vrouwen met name, want die kijken terug. Hij stelde voorschriften samen voor het leven in christelijke gemeenschappen, en schreef: „Wanneer u een vrouw ziet, blijf haar niet uitdagend aankijken. Natuurlijk kan niemand u verbieden vrouwen te zien, maar wel is het verkeerd een begeerte naar een vrouw te koesteren om te willen dat zij u begeert. (...) Zeg dus niet dat uw innerlijke houding goed is, als uw ogen begeren haar te bezitten, want het oog is de bode van het hart.”

De biografie van Augustinus is interessant vanwege zijn demonen, die hij levendig voor ons getekend heeft in zijn Belijdenissen. Hij vertelt hoe hij met enkele jongemannen bijeenkomt om te praten over het geloof, over hun moeilijkheden en hun worstelingen. Ze overwegen om een kloostergemeenschap te stichten, naar voorbeeld van de volgelingen van Antonius Abt in de Egyptische woestijn, maar het heilige vuur dooft in praktische bezwaren.

Op een dag loopt hij de tuin in achter zijn huis, hij huilt, zijn spirituele crisis is op haar hoogtepunt. Al zijn weerstand tegen een bekering balt zich samen in een laatste krachtsinspanning. Onder een vijgenboom roept hij god aan, en dan gebeurt het. Een schitterend toeval of een wonder, wie zal het zeggen. Hij hoort een kinderstem vanuit een naburig huis, het kind zingt de woorden Neem, lees; neem, lees. Hij neemt zijn bijbelboek en slaat het open op een willekeurige pagina. Zijn oog valt op de woorden die zijn leven zullen veranderen, uit Paulus’ brief aan de Romeinen. „Niet in brasserijen en dronkenschappen, niet in slaapkameren en ontuchtigheden, niet in twist en nijdigheid; maar doet aan den Heere Jezus Christus en verzorgt het vlees niet tot begeerlijkheden.” Meer is niet nodig, een grote gemoedsrust stroomt zijn hart binnen en de duisternis wijkt. Voorgoed. In 387 na Christus wordt hij gedoopt, en zo goed en zo kwaad als dat gaat zondert hij zich van de wereld af.

Augustinus en Gautama hebben hun demonen overwonnen, zij zijn veilig aan de overkant. Nu wij nog. In onze hotelkamer. De oude boeken tonen ons de begeerte in al haar weerzinwekkende gedaantes, een last, een obstakel, een kwaad. Maar als we de boeken dichtslaan en naar buiten kijken, zien we daar weinig van terug. Daar verliest de begeerte haar negatieve spirituele imago. Het is goed om te willen, het streven naar vervulling van begeertes wordt aangemoedigd. In macro-economisch perspectief is het willen het vuur onder vraag en aanbod, aan al onze productie gaat die wil vooraf. De begerende mens heeft een gigantisch verbrandingsproces geschapen, een laaiend vuur. Het vuur wordt nog hoger opgestookt door de industrie van het verlangen die rondom het productieproces is ontstaan. Deze industrie bedient zich van feilloze propagandamechanismen die de consument op alle mogelijke manieren blootstellen aan de verleiding van het product van de dag. Onze lust wordt aangewakkerd op verschillende niveaus, auditief, olfactorisch zelfs, maar vooral visueel, door het oog, de bode van het hart. De televisie straalt een helder licht in onze hotelkamer, we zijn bedwelmd door de tienduizend dingen. De woestijn van Antonius Abt is verder weg dan ooit.

Ik keek naar een programma waar een aantal jonge mensen van gemiddelde en lagere komaf bij elkaar werd gebracht in een opstelling die concurrentie opleverde. Ze speelden om een prijs van vijftigduizend dollar. Er waren vier niveaus, per niveau vielen er deelnemers af. Ik zag ze voor een vitrine staan die vol donuts lag. Ze moesten er een aantal kiezen. In maar een paar donuts zat jam, de meeste waren gevuld met gestold varkensbloed of wriemelende wormen en torren. Ze moesten er vier of vijf opeten om het volgende niveau te bereiken en uitzicht te houden op de geldprijs. Walgend en brakend at een aantal van hen zich naar het volgende niveau.

Veel televisiemakers houden ervan om mensen naakt te zien, om ze van hun waardigheid te ontdoen en hun onbedekte begeerten aan ons te tonen. Ze weten dat wij graag kijken naar hoe het cultuurleven van de ander verrassend vlug plaatsmaakt voor het instinctleven. Ze voelen haarfijn aan hoe begeerte werkt, dat er nauwelijks grenzen zijn aan wat mensen zullen doen als hun begeerte niet wordt ingetoomd door vloeiende begrippen als taboes of goede smaak.

Het element vuur komt terug in het programma Temptation Island: in de leader zien we kolkende vuren die de erotische ontsporingen van de deelnemers symboliseren. Tegen een tropisch decor worden de relaties van een aantal koppels op de proef gesteld, en de uitkomst is even pijnlijk als voorspelbaar. In de samenvatting van Wikipedia enkele resultaten van een paar seizoenen Temptation Island:

- De relatie van Tim en Katrien overleeft de verleiding niet

- Versierder Ralph van Oenen, die Katrien het hoofd op hol bracht, krijgt later een relatie met Gordon

- De kijkers verbazen zich over het gedrag van Bjorn en Bianca. Bianca vrijt meerdere malen openlijk met verleider Stephan en Bjorn stort volledig in. Dat weerhoudt hem er niet van om zich te vermaken met verleidster Liesbeth. Al tijdens het programma verbreken Bianca en Bjorn hun relatie

We kijken naar het gestoorde gedrag van proefdieren. Zelfrespect, liefde en trouw bleven achter buiten de kooi, exhibitionisme en narcisme namen ze mee naar binnen. De schaamte van Adam en Eva is in het vuur van de ontketende begeerte weggesmolten. „Toen gaf Hij hun hun begeerte; maar Hij zond aan hun zielen een magerheid.” Op televisie spelen ze vol overtuiging de slotakte van hun persoonlijk liefdesleven; ook al worden ze in situaties gebracht die naar porno neigen, hun omgang met de camera is naturel, vanzelfsprekend, alsof de camera’s altijd al in hun leven geweest hadden moeten zijn maar er door een of andere fout van de organisatie niet waren.

Ze zijn opgegroeid voor de spiegel. Het verband tussen spiegels en menselijk gedrag is onderzocht in de Griekse mythologie, in het verhaal van Narcissus. Daar is het water de spiegel waarin Narcissus in zichzelf verdrinkt. Onze spiegels zijn van glas, beplakt met een laag reflecterende folie op de achterzijde. Op geen moment in de geschiedenis van de mensheid zijn er zoveel spiegels geweest, zowel in de privésfeer als in de openbare ruimte. Het ‘Ken uzelve’ dat bij het orakel van Delphi was afgebeeld – een levensbeschouwing in atomaire vorm – is geworden tot een ‘Zie uzelve’. En van de ijdele mens is Narcissus de schutspatroon.

In de psychologie is Narcissus terechtgekomen bij de afdeling persoonlijkheidsstoornissen. „Een diepgaand patroon van grootheidsgevoelens”, lezen we in het diagnostische handboek DSM-IV, gevolgd door „behoefte aan bewondering en gebrek aan empathie, beginnend in de vroege volwassenheid en tot uiting komend in diverse situaties.” Er worden negen criteria geformuleerd waaraan de narcist te herkennen valt, de speld om de vlinder mee vast te prikken. Misschien zijn ze ook geschikt om een bepaald type samenleving mee te identificeren. Eentje waar de Narcistische Revolutie in alle hevigheid woedt, met als inzet Eeuwige Jeugd en het Recht op Altijddurende Voorrang.

Mensen in dat type samenleving stellen alles in het werk om hun jeugd te bewaren, het oude lichaam wordt gemodelleerd naar een jong lichaam door het cosmetisch te vervormen en te behangen met symbolen uit de jeugdcultuur. Het zijn evenzoveel tekenen van gebrek aan offervaardigheid – van oud worden en sterven als voorwaarde voor nieuw leven. De narcist wil Ik blijven zeggen tot de zeis hem wegmaait. Het is: geen offer willen brengen, het is: het onsterfelijke middelpunt willen zijn. De narcist weigert zijn levenseinde. Hij wil alleen nog maar geboren worden.

In deze eeuwige dynamiek verdraagt hij geen oponthoud. Het wachten in een rij ervaart hij als een intieme, persoonlijke belediging; hij meent een vanzelfsprekend recht te hebben op voorrang. Oponthoud is stilstand, stilstand is reflectie, reflectie kan leiden tot het besef dat de deur van de ziel niet naar buiten opengaat, zoals hij meent, maar naar binnen – een beeldschone metafoor die ik eens ergens las. Dit besef is ongewenst. Hij wil geen inzicht en geen duurzame vervulling van zijn verlangens. Het líjkt wel alsof al zijn inspanningen daarop gericht zijn, maar dat is ogenschijnlijk. Vervulling van zijn verlangens is óók stilstand, een eindpunt, en hij wil niet stilstaan, hij wil bewogen worden, eeuwig heen en weer geslingerd tussen de polen van zijn begeertes. Geen bevrediging is het die hij zoekt, maar telkens weer een nieuw verlangen.

Dit is een bekorte versie van de lezing die Tommy Wieringa op 23 april uitsprak als gastschrijver aan de Universiteit Delft.